Aanbevelingen

In dit hoofdstuk presenteert de commissie haar aanbevelingen voor een adequate bescherming van het Nederlands (particulier) cultuurbezit. De aanbevelingen hebben betrekking op wetgeving, beleidsvoering en uitvoering en zijn onderverdeeld in urgente aanbevelingen voor korte termijn en enkele verdiepende aanbevelingen voor de midden- en lange termijn.

Inleiding

Met de Erfgoedwet heeft de minister volgens de commissie op papier een goed instrument in handen om cultuurgoederen en verzamelingen zorgvuldig te beschermen. De wet kent elf regelingen die aan deze bescherming bijdragen. Toch blijkt uit de analyse van de commissie dat cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland in de praktijk (lang) niet voldoende bescherming genieten. Door problemen rond de uitvoering van de wet en onduidelijkheid over het bestaan en de interpretatie van sommige regelingen, bestaat steeds de dreiging dat belangwekkend cultuurgoed uit ons land verdwijnt. Reële mogelijkheden om cultuurgoederen en verzamelingen voor het Nederlands cultuurbezit te verwerven of te behouden ontbreken, en bestaande mogelijkheden zijn onder betrokkenen onvoldoende bekend.

Met haar aanbevelingen pleit de commissie voor een beleid waaruit meer visie, ambitie, maatschappelijk bewustzijn en gevoel van urgentie spreekt dan uit het huidige beleid. De commissie ziet dit als wezenlijke voorwaarden voor een actieve, effectieve bescherming van belangwekkend cultuurgoed. De commissie spreekt hiermee zowel de overheid en de minister aan, als de vele andere betrokkenen bij de uitvoering van de Erfgoedwet.

Rembrandt van Rijn, ‘Portret van Jan Six’, 1654, Collectie Six, Amsterdam
(dossiernummerregister 16, aangewezen in 1985)

Juist omdat erfgoed midden in de maatschappij staat en het iedere Nederlander aangaat, zijn zovele partijen betrokken bij de bescherming ervan. Het is daarom noodzakelijk dat al die partijen bekend zijn met de Erfgoedwet en de mogelijkheden die deze biedt om cultuurgoederen en verzamelingen te beschermen. Eveneens vraagt een dusdanig belangrijk aspect van de Nederlandse cultuur om een juiste (betere) toepassing van de regelingen uit de wet, kortom om een ruimhartig, betrokken beleid.

Hieronder doet de commissie in totaal tien aanbevelingen. Zij onderscheidt deze in:

  • Drie urgente aanbevelingen die de commissie op korte termijn noodzakelijk acht om een adequate bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland te garanderen (aanbevelingen 1 tot en met 3), waaronder vier suggesties tot nieuwe beleidsvorming aangaande de regelingen in de Erfgoedwet (aanbevelingen 3.1 tot en met 3.4);
  • Zeven aanbevelingen die volgens de commissie nodig zijn om de bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland op middellange en langere termijn te verbeteren (aanbevelingen 4 tot en met 10).

Urgente aanbevelingen voor op korte termijn

Drie zaken zijn volgens de commissie in eerste instantie, en op korte termijn, noodzakelijk om een adequate bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland te garanderen:

  1. Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.
  2. Benoem mede daartoe opnieuw een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak het cultuurgoed in Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de minister te adviseren en hierover met het bredere netwerk van particulieren te communiceren.
  3. Stel in samenspraak met bovengenoemde deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder terughoudend aanwijzingsbeleid.

Hieronder worden deze aanbevelingen nader toegelicht.

Marlene Dumas, ‘The Schoolboys’, 1986 – 1987, Copyright werk en courtesy image Marlene Dumas
(foto: Peter Cox)

The Schoolboys van Marlène Dumas
Om de restauratie van altaarstukken en de herinrichting te kunnen bekostigen, nam Museum Gouda in 2011 het besluit om het schilderij ‘The Schoolboys’ van Marlene Dumas te verkopen. Het verzamelbeleid van het museum was veranderd en het werk paste niet in het nieuwe collectieprofiel. De gemeenteraad van Gouda ging akkoord met de verkoop. De kunstenaar was gechoqueerd door het voornemen, dat ook een flinke commotie teweegbracht in de museumwereld. Niet alleen vanwege de verkoop, maar ook het museum hiermee de LAMO niet volgde. Het schilderij werd in Londen op de veiling gekocht door een Aziatische verzamelaar.
Nu kan beargumenteerd worden dat werk van Dumas al in verschillende musea hangt, maar zoals Hendrik Driessen, tot voor kort directeur van Museum de Pont, het stelde: ‘Het gaat niet om dat je een Dumas hebt, maar om welke Dumas je hebt.

Aanbeveling 1

Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.

De commissie adviseert de minister een integrale visie op de dynamische Collectie Nederland te (laten) ontwikkelen en hieraan uitvoering te geven. Deze visie dient bij te dragen aan de verwezenlijking van de ambitie om de Collectie Nederland daadwerkelijk te beschermen en te behouden voor toekomstige generaties in Nederland.

Om een dergelijke visie te ontwikkelen is de vraag cruciaal wat we in Nederland willen hebben en houden en wat er ontbreekt. De commissie vraagt in dit verband in het bijzonder aandacht voor (de bescherming van) moderne/hedendaagse kunst en voor cultuurgoederen die hedendaagse ontwikkelingen als globalisering, multiculturaliteit, diversiteit en digitalisering vertegenwoordigen, alsmede voor erfgoed van regionaal en lokaal belang.

Aanbeveling 2

Benoem een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak het cultuurgoed in Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de minister te adviseren en hierover met het bredere netwerk van betrokkenen te communiceren.

Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet heeft de wetgever (de minister) ervoor gekozen zich niet langer door een onafhankelijke derde te laten adviseren over de vraag of een cultuurgoed al dan niet als beschermd moet worden aangewezen. In plaats daarvan doet sindsdien de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voorstellen tot aanwijzing van cultuurgoederen en neemt namens de minister van OCW ook de besluiten hierover. De commissie vindt dit problematisch, omdat de RCE een onderdeel vormt van het ministerie van OCW. Hiermee neemt de RCE geen onafhankelijke positie in en daarbij is de deskundigheid onvoldoende gegarandeerd.

De commissie acht het (opnieuw) instellen van een onafhankelijke en vaste deskundigencommissie noodzakelijk om een gedegen aanwijzingsbeleid te kunnen voeren. Deze commissie dient de belangrijke taak te krijgen te inventariseren welk belangwekkend cultuurgoed zich momenteel in publiek en particulier bezit in Nederland bevindt. Vooral waar het cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit betreft, dient de commissie zich de vraag te stellen of dit cultuurgoed in voldoende mate is beschermd. Is dit niet het geval, dan dient te worden onderzocht of het cultuurgoed alsnog, via een aanwijzing, kan of moet worden opgenomen in het register.

Om een proactief, betrokken, gefundeerd beleid te kunnen voeren, dient de minister de genoemde deskundigencommissie te belasten met een vierledig takenpakket:

Inventariseren

De commissie dient te inventariseren welk belangwekkend cultuurgoed zich momenteel in publiek en particulier bezit in Nederland bevindt. Deze inventarisatie zal allereerst bijdragen aan een beter beeld van de collectie die zich in Nederland bevindt, wat tevens bijdraagt aan het ontwikkelen van een visie op de Collectie Nederland. De gewenste inventarisatie is daarnaast van belang om te voorkomen dat belangwekkende cultuurgoederen of verzamelingen buiten Nederland dreigen te worden gebracht zonder dat hun bestaan en/of hun belang gekend is.

Actualiseren

De hiervoor genoemde inventarisatie en de te ontwikkelen visie zullen een beter beeld doen ontstaan van het geheel aan cultuurgoederen die voor Nederland beschermwaardig zijn, zowel in publiek als in particulier bezit. Zo zal een scherper beeld bestaan rond moderne en hedendaagse kunst, vormgeving en mobiel erfgoed. Indien het nodig is overheidsbescherming te bieden door toepassing van een of meer van de elf regelingen uit de Erfgoedwet, dient de commissie dat vast te leggen.

Adviseren

Op basis van haar beeld van wat zich aan belangwekkend cultuurgoed in Nederland bevindt in particulier en publiek bezit kan de commissie de minister weloverwogen adviseren over het aanwijzen van cultuurgoederen en verzamelingen als beschermwaardig. Verder kan de commissie de minister adviseren over de vraag of een reeds aangewezen cultuurgoed of verzameling nog steeds moet worden beschermd, en of een aangewezen cultuurgoed of verzameling buiten Nederland mag worden gebracht.

Informeren en communiceren (loketfunctie)

Tot de taak van de nieuw in te stellen deskundigencommissie hoort ook het aanleggen en onderhouden van contacten met (particuliere) eigenaren van (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen. Deze taak gaat voor een groot deel samen met de hiervoor genoemde taken.

Onder particuliere eigenaren bestaat vaak de behoefte om in vertrouwen te overleggen over bijvoorbeeld de status en het belang van hun bezit. Het ministerie van OCW (als bevoegd gezag) en de in te stellen deskundigencommissie (als adviseur van OCW) lenen zich onvoldoende voor een dergelijke vertrouwensfunctie. De commissie adviseert deze functie daarom te beleggen bij een aan de commissie verwante afvaardiging van deskundigen, die formeel geen deel uitmaakt van de commissie maar daarmee wel directe banden onderhoudt en waar nodig en gewenst de kennis en kunde van de commissie kan inroepen.

De commissie adviseert in dit verband tevens een (informele) overlegstructuur op te zetten tussen de nieuwe deskundigencommissie en de Successiecommissie, die beoordeelt of een cultuurgoed van nationaal cultuur- of kunsthistorisch belang is en daarom in aanmerking komt voor de fiscale kwijtscheldingsregeling.

Tot slot is wenselijk dat aan het programma ‘Zeer vermogende personen’ van het ministerie van Financiën een lid met kennis van de culturele sector en de Erfgoedwet wordt toegevoegd.

Het voorgaande kan als volgt zijn neerslag krijgen in wet- en (beleids)regelgeving. Op grond van de Erfgoedwet is het de minister die de besluiten neemt. De bevoegdheid tot aanwijzing is gemandateerd aan de RCE. De wet kan op dit punt ongewijzigd blijven. De mandaatregeling moet volgens de commissie worden ingetrokken. De commissie adviseert de minister om in plaats daarvan in een beleidsregel vast te leggen dat er een onafhankelijke deskundigencommissie is, bijvoorbeeld onder verantwoordelijkheid van de Raad voor Cultuur, met de hiervoor beschreven taken. Het is volgens de commissie nu niet direct nodig de Erfgoedwet te wijzigen, hoewel het op termijn raadzaam is de deskundigencommissie van een wettelijke grondslag te voorzien. Dit zou kunnen gebeuren naar aanleiding van de evaluatie van de Erfgoedwet die in 2020 van start gaat.

Naar verwachting kan de in te stellen deskundigencommissie met stevig onderbouwde adviezen aan de minister komen, tot stand gekomen vanuit haar onafhankelijke positie en vanuit de in de commissie belegde deskundigheid. De minister is verplicht de adviezen zorgvuldig in overweging te nemen en er alleen met een deugdelijke motivering van af te wijken.

De commissie drukt de minister op het hart bovenstaande aanbevelingen over te nemen. Ze benadrukt dat haar overwegingen zwaarwegender zijn dan die van de wetgever destijds om de wettelijke plicht van de minister af te schaffen om zich door (de vroegere commissie van) de Raad voor Cultuur te laten informeren. Volgens de wetgever had de adviesrol van de Raad voor Cultuur geen ‘meerwaarde’, omdat de Raad voor Cultuur niet zozeer adviseert over individuele gevallen maar meer over strategische aangelegenheden. De commissie meent dat de wetgever met deze motivering is voorbijgegaan aan het feit dat de advisering voorheen geschiedde door een door de raad speciaal voor deze taak ingestelde commissie, die juist wel beoogde over individuele gevallen te adviseren.

Aanbeveling 3

Stel in samenspraak met bovengenoemde deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder terughoudend aanwijzingsbeleid.

Een belangrijk knelpunt bij de huidige implementatie en toepassing van de Erfgoedwet is de onduidelijkheid over een aantal zaken met betrekking tot de aanwijzingsregeling. Deze onduidelijkheden kunnen volgens de commissie eenvoudig worden weggenomen in nieuw op te stellen beleidsregels. De commissie adviseert de minister om deze beleidsregels in nauwe samenspraak met de in te stellen deskundigencommissie tot stand te brengen.

In de nieuwe beleidsregels moeten in elk geval de volgende onderwerpen aan de orde komen:

De verhouding tussen de verschillende regelingen in de Erfgoedwet, in het bijzonder ten aanzien van de aanwijzingsregeling (aanbeveling 3.1).

Het is op dit moment onduidelijk wanneer welke regeling uit de Erfgoedwet van toepassing is of kan zijn. In het bijzonder is onduidelijk hoe de aanwijzingsregeling zich verhoudt tot de andere regelingen uit de Erfgoedwet.

Toepassing van de aanwijzingsregeling op publiek versus particulier bezit (aanbeveling 3.2).

Vanwege bovengenoemde onduidelijkheid bestaat eveneens onduidelijkheid over de vraag voor wie de aanwijzingsregeling nu precies geldt. In de tekst van de aanwijzingsregeling komt geen verwijzing naar ‘particulier bezit’ voor, maar er wordt algemeen aangenomen dat de regeling primair op particulier bezit van toepassing zou zijn. Als dat al het geval is, waarover de beleidsregel verduidelijking kan bieden, is de vraag wat dan precies wordt verstaan onder ‘particulier bezit’.

Nadere invulling van de aanwijzingscriteria met inachtneming van de huidige tijdsgeest (aanbeveling 3.3).

De criteria van de aanwijzingsregeling geven (particuliere) eigenaren van cultuurgoederen onvoldoende houvast om zelf te kunnen beoordelen of hun cultuurgoederen voor aanwijzing in aanmerking kunnen komen.

Een minder terughoudend aanwijzingsbeleid en voor particuliere eigenaren van een aangewezen cultuurgoed of verzameling een tegenprestatie op maat (aanbeveling 3.4).

De commissie stelt vast dat het terughoudend aanwijzingsbeleid om alleen bij spoedeisende gevallen tot aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling over te gaan, niet past binnen de omstandigheden zoals het recht op vrij verkeer van goederen binnen de Europese Unie en het feit dat de Erfgoedwet geen werking heeft voor cultuurgoederen die zich in het buitenland bevinden. Het terughoudend aanwijzingsbeleid staat een daadwerkelijke bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen daarom in de weg. Een actief, betrokken aanwijzingsbeleid is geboden om het cultuurgoed in Nederland beter te beschermen. Daar staat tegenover dat aan de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling voor de inbreuk op zijn eigendom sneller een tegenprestatie op maat moet kunnen worden geleverd.

Deze vier concrete aanbevelingen werkt de commissie in de volgende paragraaf nader uit.

Aanbevelingen voor
nieuwe beleidsregels

Aanbeveling 3.1

Veranker de verhouding tussen de verschillende regelingen in de Erfgoedwet in beleid, in het bijzonder ten aanzien van de aanwijzingsregeling.

Zoals in dit advies al meermalen aangetoond, bevat de Erfgoedwet al veel regelingen ter bescherming van cultuurgoederen. Dat deze regelingen in de praktijk onvoldoende effectief zijn om te bepalen welke cultuurgoederen al dan niet aangewezen worden als beschermd erfgoed is voornamelijk te wijten aan de grote onbekendheid met (het bestaan van) de verschillende regelingen en aan onduidelijkheid rond de vraag wanneer welke regeling concreet van toepassing is of kan zijn. Dit zijn belangrijke aandachtspunten voor een correcte implementatie van de Erfgoedwet in de praktijk.

De commissie beveelt de minister daarom aan om in beleid een nadere uitleg vast te leggen van de regels van de Erfgoedwet, zoals hij die hanteert bij het gebruik van zijn bevoegdheden op grond van die wet. 1 Uit het beleid zou, duidelijker dan nu op grond van de Erfgoedwet, moeten blijken in welke situatie welke regeling of regelingen van toepassing zijn. Dit kan bijvoorbeeld door enkele denkbare scenario’s (zie de voorbeelden hieronder) uit te werken in beleid, en hierover verder adequate voorlichting te verschaffen.

Een voorbeeld dat nadere uitwerking behoeft in beleid, is dat de Erfgoedwet de mogelijkheid kent om openbare collecties aan te wijzen, waarna werken daaruit alleen vervreemd mogen worden met toestemming van de eigenaar. De commissie heeft dergelijke aanwijzingen niet aangetroffen, terwijl het wel de bedoeling was van de wetgever om van deze aanwijzingsmogelijkheid gebruik te maken. Dat doel zou in beleid moeten worden vastgelegd.

Een ander voorbeeld is de verhouding tussen de aanwijzingsregeling en de regeling inzake de exportvergunning voor het buiten de EU brengen van een cultuurgoed. Is een cultuurgoed aangewezen als beschermd cultuurgoed maar heeft de minister geen bedenkingen geuit tegen uitvoer van dit cultuurgoed buiten Nederland, en wordt de verplichte exportvergunning aangevraagd, dan zal dit de verlening van de vergunning niet tegenhouden. Is een cultuurgoed niet aangewezen maar valt het wel binnen een van de categorieën van de Europese Verordening, dan zal toch ook een exportvergunning moeten worden aangevraagd. In beginsel zal die vergunning worden verleend, tenzij de minister alsnog meent dat het cultuurgoed (met spoed) moet worden aangewezen ter behoud ervan in Nederland. De daarmee gepaard gaande bureaucratische last zou mogelijk kunnen afnemen wanneer op Europees niveau kon worden bereikt dat er meer uitzonderingen worden toegestaan op de eis van een exportvergunning.

Aanbeveling 3.2

Veranker de toepasselijkheid van de aanwijzingsregeling voor particulier versus publiek bezit in beleid.

Algemeen wordt aangenomen dat de aanwijzingsregeling primair bedoeld is voor cultuurgoederen en verzamelingen in ‘particulier bezit’. In haar onderzoek heeft de commissie gesignaleerd dat dit zo vaak gebruikte begrip ‘particulier bezit’ geen recht doet aan het onderscheid tussen de vele soorten particuliere bezitters van cultuurgoederen en verzamelingen.

De commissie acht het daarom ten eerste van wezenlijk belang dat de minister in de op te stellen beleidsregel specificeert voor wie de aanwijzingsregeling geldt en wat in dat verband wordt verstaan onder ‘particulier bezit’. De vraag dient te worden beantwoord voor welke type (particuliere) bezitter de aanwijzingsregeling van toepassing is. De commissie adviseert de minister om de door haar in dit advies aangedragen definitie van particulier bezit over te nemen: ‘cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van privépersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen zoals stichtingen. Met andere woorden, niet de Staat, provincies, gemeenten of andere publiekrechtelijke rechtspersonen maar wel alle andere denkbare eigenaren hebben cultuurgoederen “in particulier bezit” (eigendom).’ 2

De commissie constateerde reeds dat er een grote verscheidenheid bestaat aan particuliere bezitters. Cultuurgoederen en verzamelingen in het particulier domein zijn in eigendom van privaatrechtelijke overheidsorganisaties, van commerciële bedrijven (BV’s en NV’s), van stichtingen met een bredere of meervoudige doelstelling, van stichtingen die louter het houden en beheren van belangwekkend cultuurgoed als doelstelling hebben, van private rechtspersonen die mede met overheidsmiddelen worden gefinancierd en van privéverzamelaars. Ook dit gegeven zou haar weerslag in het beleid moeten krijgen.

De aanwijzing van een belangwekkend cultuurgoed of verzameling biedt de meest verstrekkende bescherming. Uitvoer van een aangewezen cultuurgoed of verzameling buiten Nederland zonder de vereiste toestemming van de minister van OCW is in dat geval strafbaar en biedt tevens grond voor een internationale vordering tot teruggave aan Nederland.

Vaas met decor van drie-tenige draak, China, 1403 – 1424, Keramiekmuseum Princessehof, Leeuwarden,
bruikleen Ottema-Kingma Stichting

Men reist er vanuit China voor naar Leeuwarden
Deze vaas uit de Ming-periode is één van de topstukken van het Keramiekmuseum Princessehof. Er zijn ter wereld nog drie vazen bekend van deze kwaliteit en in China is de waardering voor dit object zo groot dat men ervoor naar Leeuwarden reist. De vaas is eigendom van de Ottema-Kingma Stichting (OKS).

De naamgever van de OKS, Nanne Ottema, was notaris, verzamelaar, kunsthistoricus, publicist, bestuurder, politicus, strijder voor natuur- en cultuurbehoud, museumstichter en filantroop. Zijn grote kunstcollectie, bestaande uit onder andere (Friese) kunst en kunstnijverheid en Aziatica, en zijn vermogen liet hij na aan de OKS. Deze stichting bracht de collectie onder bij verschillende musea in Friesland. De collectie is statutair beschermd. Wanneer het bestuur besluit tot opheffing van de stichting, is daarvoor eerst toestemming nodig van het Koninklijk Fries Genootschap. Deze bepaling in de statuten kan niet gewijzigd worden.

Enkele omstandigheden kunnen de minister volgens de commissie nopen tot een andere afweging van belangen, en het besluit een cultuurgoed of verzameling niet op grond van de Erfgoedwet aan te wijzen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de volgende omstandigheden, waarvan per concreet geval zal moeten blijken of zij daadwerkelijk de vereiste waarborgen bieden tot bescherming van een cultuurgoed:

  • Statutaire waarborgen
    In de statuten van de privaatrechtelijke eigenaar van belangwekkend cultuurgoed kan zijn vastgelegd dat de cultuurgoederen in eigendom van die stichting niet (zonder meer) definitief buiten Nederland mogen worden gebracht. Dit kan zijn geregeld via de statutaire doelstelling van de privaatrechtelijke rechtspersoon, of via statutaire waarborgen in de besluitvorming door de interne organen van die privaatrechtelijke rechtspersoon.
  • Toepasselijkheid van de LAMO
    Als op het cultuurgoed of de verzameling in kwestie de beschermwaardigheidsregeling van de LAMO van toepassing is, kan dat reden zijn die stukken niet te hoeven aanwijzen voor bescherming.
  • (Subsidie)voorwaarden van de overheid
    Als een (privaatrechtelijke rechts)persoon subsidie ontvangt van een overheidsorgaan en in de toepasselijke regels als voorwaarde is gesteld dat alleen een recht op die subsidie bestaat bij behoud van het cultuurgoed voor Nederland, kan dat reden zijn om af te zien van een aanwijzing.
  • (Culturele) ANBI-status
    De commissie meent dat een eventuele ANBI-status (waarbij een stichting door de fiscus is aangemerkt als een ‘algemeen nut beogende instelling’) in samenhang met andere omstandigheden aanleiding kan geven cultuurgoederen of verzamelingen in eigendom van die stichting niet te hoeven aanwijzen.
  • Het betreft een cultuurgoed dat in het kader van het restitutiebeleid (WO II) aan de rechtmatige eigenaar is teruggegeven.

De minister moet hierbij wel beseffen dat wanneer cultuurgoederen in strijd met bovengenoemde waarborgen toch buiten Nederland worden gebracht, die cultuurgoederen niet naar Nederland kunnen worden teruggehaald op grond van de internationale regels inzake de onrechtmatige uitvoer van cultuurgoederen en het recht op teruggave ervan, en dat evenmin sprake is van een strafrechtelijk delict. Als een cultuurgoed bijvoorbeeld in strijd met de subsidievoorwaarden buiten Nederland is gebracht, leidt dat hooguit tot terugvordering van de subsidie. De minister zal zich bij de afweging van belangen bewust moeten zijn van dit risico. Wanneer op andere waarborgen dan een aanwijzing wordt vertrouwd, is de bescherming minder waterdicht. Daar staat tegenover dat de inbreuk op het recht op eigendom van de eigenaar moet zijn geoorloofd, wat pas aan de orde is als in de afweging van belangen expliciet rekening is gehouden met dit soort buitenwettelijke waarborgen. De commissie adviseert verder bij de voorgenomen evaluatie van het restitutiebeleid een definitief oordeel te vellen over de vraag of gerestitueerde kunst in aanmerking zou kunnen komen voor aanwijzing.

Aanbeveling 3.3

Veranker een nadere invulling van de aanwijzingscriteria in beleid, met inachtneming van de huidige tijdgeest.

De open aanwijzingscriteria zorgen voor rechtsonzekerheid onder betrokkenen. Deze rechtsonzekerheid is tot op heden niet weggenomen met een nadere uitwerking van die criteria in beleid. De commissie adviseert de minister daarom de aanwijzingscriteria nader te (laten) uitwerken en deze nadere uitwerking periodiek te actualiseren, naar de dan geldende tijdgeest en de ontwikkelingen die op dat moment gaande zijn in de samenleving.

De minister zou aan deze aanbeveling gevolg kunnen geven door de aanwijzingscriteria nader toe te lichten in de op te stellen beleidsregel, of door in de beleidsregel vast te leggen dat de nieuwe deskundigencommissie in een eigen richtlijn de aanwijzingscriteria nader uitwerkt.

Ongeacht voor welke methode wordt gekozen, is de betrokkenheid van de deskundigencommissie bij de uitwerking van de aanwijzingscriteria essentieel. (Zo was de voormalige Wbc-commissie ook nauw betrokken bij de totstandkoming van de huidige aanwijzingscriteria die destijds al onder de Wbc golden.)

De minister kan ter inspiratie een voorbeeld nemen aan hoe in het Verenigd Koninkrijk een nadere invulling wordt gegeven aan de daar geldende, tevens open geformuleerde ‘Waverley-criteria’ voor export van belangwekkend cultuurgoed, en hoe deze invulling periodiek wordt heroverwogen. Het Britse Department for Culture, Media & Sport stelt elke vijf jaar een ‘Statutory guidance’ op met een uitwerking van de Waverley-criteria voor ‘export controls on objects of cultural interest’. Deze uitwerking wordt verder ter controle voorgelegd aan het parlement.

De commissie beveelt de minister sterk aan uitvoering te geven aan het voorgaande, bijvoorbeeld onder auspiciën van de Raad van Cultuur. De open aanwijzingscriteria geven (particuliere) eigenaren onvoldoende houvast om in te schatten of hun cultuurgoed of verzameling voor aanwijzing in aanmerking komt.

Een uitwerking van de open aanwijzingscriteria is verder van belang met het oog op de aanbevolen actualisatie van het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen. Deze actualisatie is van groter nut als eerst preciezer wordt vastgesteld wat onder de aanwijzingscriteria in de huidige tijdgeest wordt verstaan.

Aanbeveling 3.4

Hanteer een minder terughoudend aanwijzingsbeleid.

In hoofdstuk 3 signaleerde de commissie dat de minister met haar (meer dan) terughoudend aanwijzingsbeleid een te groot risico neemt dat belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen uit Nederland verdwijnen. Het terughoudende aanwijzingsbeleid wringt vanwege drie omstandigheden:

  • het ontbreken van rechtskracht van de Erfgoedwet buiten de Nederlandse grenzen;
  • het bestaande recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie;
  • het gegeven dat de minister onvoldoende bekend is met de cultuurgoederen en verzamelingen in Nederland die (mogelijk) belangwekkend zijn.

De tweede omstandigheid was nog niet aan de orde ten tijde van de inwerkingtreding van de Wbc, toen er namelijk nog controles aan de Nederlandse grens bestonden.

In Duitsland leidde de afschaffing van zulke grenscontroles tot het instellen van een exportvergunningseis ten aanzien van (Duits) roerend erfgoed; na bestudering vindt de commissie dit voor Nederland geen goede oplossing vanwege de hoge administratieve lasten die ermee gepaard gaan en de verstrekkende gevolgen hiervan. 3 Zij meent dat de huidige aanwijzingsregeling zonder grenscontrolesysteem alsnog naar behoren kan functioneren, maar dat het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Unie wel vraagt om een (veel) actiever aanwijzingsbeleid. Immers, zodra een werk eenmaal buiten Nederland is, treft een spoedaanwijzing geen doel meer.

De commissie heeft in dit hoofdstuk reeds aanbevolen het aanwezige cultuurgoed in Nederland te inventariseren en op basis daarvan het register te actualiseren. Nog beter zou zijn om de hiaten in het publieke deel van het Nederlands kunstbezit op te vullen, waarmee de noodzaak afneemt tot aanwijzing van cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit.

Met de aanbeveling tot inventarisatie en actualisatie van het register wordt het huidige, terughoudende aanwijzingsbeleid ingeruild voor een actief, betrokken aanwijzingsbeleid. De commissie beveelt verder aan het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen up-to-date te houden. 4 De inventarisatie en actualisatie laten immers onverlet dat de eerste twee hierboven genoemde omstandigheden blijven gelden. Het op dat moment opnieuw hanteren van een terughoudend aanwijzingsbeleid zou dan tot dezelfde risico’s leiden als die thans door de minister worden genomen.

Aanbevelingen voor
de middellange
en langere termijn

Naast de drie aanbevelingen voor op korte termijn adviseert de commissie voor de middellange en langere termijn het volgende om de balans tussen de bescherming van publiek en particulier cultuurbezit te verbeteren en de regelingen uit de Erfgoedwet effectiever in te zetten:

  1. Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling een tegenprestatie op maat.
  2. Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen beleid door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.
  3. Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen wanneer belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng de termijn waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister.
  4. Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.
  5. Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
  6. Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.
  7. Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van de regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag.

Hieronder worden deze aanbevelingen nader toegelicht.

Aanbeveling 4

Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling tegenprestatie op maat.

Tegenover een actiever, meer betrokken aanwijzingsbeleid moet volgens de commissie staan dat de eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling zoveel mogelijk wordt ontlast en de inbreuk op zijn eigendom zoveel mogelijk wordt verzacht, meer dan momenteel het geval is. Een wederkerige relatie tussen overheid en particuliere eigenaren is daarvoor van essentieel belang. In het kader van die relatie moeten overheid en eigenaar afspraken (op maat) maken om de inbreuk op het eigendomsrecht voor de eigenaar te verzachten. Te denken valt aan een overheidsbijdrage aan de beveiliging en verzekering van het cultuurgoed of een gunstige toepassing van de fiscale kwijtscheldingsregeling op grond van de Successiewet. Voor dit soort tegemoetkomingen op maat zou te meer ruimte moeten zijn als met de particuliere eigenaar wordt overeengekomen dat hij het aangewezen cultuurgoed voor publiek in Nederland toegankelijk maakt of houdt, zoals door bruikleen aan een museum. 5

De commissie adviseert in het bijzonder te onderzoeken of de huidige kwijtscheldingsregeling op grond van de Successiewet voor een eigenaar van een aangewezen cultuurgoed verdere voordelen kan bieden dan de huidige kwijtschelding van 120 procent van de waarde van het cultuurgoed. Dit percentage geldt immers voor elk belangwekkend cultuurgoed (ook het niet aangewezene). De commissie meent dat eigenaren van een aangewezen cultuurgoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op een hoger percentage dan 120, als weerslag van het verschil tussen hun situatie en die van eigenaren van niet-aangewezen cultuurgoederen.

Aanbeveling 5

Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen beleid door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.

Een grotere kenbaarheid over en bekendheid met de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen beleid draagt bij aan een betere bescherming van het Nederlands cultuurbezit in de praktijk.

De commissie constateert dat op het vlak van voorlichting nog veel terrein is te winnen, en dat dit zonder al te grote inspanningen te realiseren zou moeten zijn. De rijksoverheid dient daartoe volledige en gedetailleerde informatie over de diverse regelingen uit de Erfgoedwet en in het bijzonder de aanwijzingsregeling online en offline beschikbaar te stellen, en deze via een centrale (online) plek toegankelijk te maken. De nieuw in te stellen deskundigencommissie kan belangstellenden hiernaar verwijzen.

Aanbeveling 6

Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen wanneer belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng de termijn waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister.

In het hoofdstuk De Erfgoedwet in de praktijk heeft de commissie gesignaleerd dat onvoldoende bekend is (en kan zijn) welke (mogelijk) belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen. Als gevolg hiervan heeft de samenleving geen reële kans om belangwekkend cultuurgoed voor Nederland te behouden. De commissie ervaart dit als een wezenlijk knelpunt. Het vormt een groot risico in het geval van cultuurgoederen die niet of nauwelijks publiek toegankelijk zijn, zoals cultuurgoederen van privéverzamelaars, private musea of bijvoorbeeld waterschappen of universiteiten. Deze laatste twee publiekrechtelijke rechtspersonen hebben immers, anders dan de Staat, provincies of gemeenten, geen bekendheidmakingsplicht bij het voornemen een cultuurgoed uit hun eigendom te vervreemden.

Volgens de commissie is aanpassing van de diverse regelingen uit de Erfgoedwet nodig, door in die wet een algemene bekendmakingsregeling op te nemen die voor alle regelingen geldt. Een dergelijke regeling staat verder ten dienste van de nieuwe koers van de wetgever in de Erfgoedwet om meer en vaker een beroep te doen op het museale veld en het particulier initiatief om die cultuurgoederen voor Nederland te behouden. Het museale veld en particulieren moeten dan wel kunnen weten dat belangwekkend cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen, en er moet voldoende tijd bestaan om aan dit particulier initiatief uitvoering te kunnen geven. De commissie vindt daarom de huidige wettelijke termijn waarbinnen potentiële kopers zich bij de minister kunnen melden (zes weken) te krap. Zij adviseert een wetswijziging op dit onderdeel voor die gevallen waarin partijen niet vrijwillig willen meewerken aan verlenging van de termijn.

Naast het uitbreiden van de zeswekentermijn is het volgens de commissie het overwegen waard, te meer daar als reden van terughoudend aanwijzingsbeleid het gebrek aan voldoende financiële middelen wordt genoemd, te bezien of een nieuw te ontwikkelen fiscaliteit binnen de huidige wetgeving, uitsluitend in te zetten in het kader van het roerend erfgoed in de Erfgoedwet, ten dele tegemoet kan komen aan dit genoemde gebrek aan financiële middelen.

De commissie adviseert verder dat bedenkingen (in het kader van de aanwijzingsregeling) en voornemens tot vervreemding (in het kader van de publieke regeling) behalve in de Staatscourant ook worden gepubliceerd op een (centraal) platform dat gemakkelijker is te vinden. Te denken valt aan de website van de nieuwe deskundigencommissie. Bij voorkeur wordt deze publicatieplicht in de Erfgoedwet verankerd, door vast te leggen dat op tijd kenbaar wordt gemaakt welk (belangwekkend) cultuurgoed uit Nederland dreigt te verdwijnen. De nieuwe deskundigencommissie of een aanspreekpunt binnen het ministerie van OCW kan vervolgens eventuele interesse van een potentiële (particuliere of publieke) koper uit Nederland bekendmaken bij de eigenaar van het desbetreffende cultuurgoed. Met een dergelijke regeling hoeft geen uitzondering te worden gemaakt op de privacyregels.

Aanbeveling 7

Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.

Voor betrokken particuliere eigenaren bestaat tot op heden onduidelijkheid over de totstandkoming van een eventueel prijsaanbod tot koop door de Staat. Van eerdere voorbeelden is bekend dat de Staat zich mede baseert op waardebepalingen door deskundigen. De rechtbank Den Haag past eenzelfde soort procedure toe als door betrokken partijen wordt gevraagd in een gerechtelijke procedure de prijs vast te stellen.

Met deze aanpak is de hoogte van de (geboden) prijs sterk afhankelijk van de deskundige(n) die voor de vaststelling daarvan worden gevraagd. Dit leidt tot onzekerheid bij eigenaren van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen.

De commissie adviseert de minister deze onzekerheid weg te nemen door, in samenspraak met deskundigen, een model of protocol op te stellen voor het bepalen van de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of verzameling. Dit model of protocol dient in de basis een aantal richtlijnen te bevatten op grond waarvan een prijs kan worden vastgesteld. Het moet daarbij in het bijzonder aandacht hebben voor het internationale aspect van de kunsthandel en de waardebepaling daarbinnen. Ook dient een dergelijk model of protocol enige flexibiliteit toe te laten om te kunnen handelen naar de tijdsgeest en relevante, actuele ontwikkeling in de kunsthandel mee te kunnen wegen in de prijsbepaling.

Het model of protocol dient tevens enige procedurele richtlijnen te bevatten, zoals door hoeveel personen en met welke deskundigheid de prijs moet worden bepaald.

Aanbeveling 8

Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.

Aankoop door de Staat van belangwekkende cultuurgoederen en verzamelingen geschiedt in de regel uit het Nationaal Aankoopfonds. In hoofdstuk 3 heeft de commissie gesignaleerd dat dit aankoopfonds geen wettelijke grondslag kent en er geen regeling bestaat op basis waarvan dit fonds structureel wordt gevuld. Er bestaan daarmee geen wettelijke waarborgen om situaties te voorkomen als die rond het schilderij ‘Paysage près d’Aix avec la tour César’ van Cézanne, waarbij de Staat niet bereid was de internationale marktwaarde te bieden en de minister daarom zijn bedenkingen tegen de uitvoer moest intrekken. 6

De commissie adviseert daarom ten eerste het Nationaal Aankoopfonds te voorzien van een wettelijke grondslag, bijvoorbeeld in hoofdstuk 7 van de Erfgoedwet. Ten tweede adviseert de commissie om in die wettelijke regeling een minimumbedrag vast te leggen dat in het Nationaal Aankoopfonds beschikbaar moet zijn voor de aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en verzamelingen. Daarmee samenhangend adviseert de commissie, ten derde, een regeling te ontwerpen die voorziet in een structurele toekenning van middelen aan het fonds.

Peter Struycken, 1995, kleurontwerp voor hekwerk De Nederlandse Bank.

Kunst in de openbare ruimte: Peter Struycken
In 1967 werd om veiligheidsredenen een hekwerk geplaatst naast het gebouw van De Nederlandsche Bank, wat tegen de zin was van architect Marius Duintjer. In 1995 gaf DNB aan kunstenaar Peter Struycken de opdracht een kleurontwerp voor het hek te maken. Daarbij werd overeengekomen dat DNB het hekwerk na tien jaar mocht laten overschilderen. Met het overbrengen van de goudvoorraad naar een andere locatie is de noodzaak tot het hekwerk verdwenen en wil DNB het hek verwijderen. Dit tot spijt van de kunstenaar. Momenteel onderzoekt DNB de mogelijkheden om (delen van) het hekwerk elders een bestemming te geven als kunstwerk.

Aanbeveling 9

Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.

Het College van Rijksadviseurs bestaat momenteel uit de Rijksbouwmeester (architectuur) en twee Rijksadviseurs voor de fysieke leefomgeving. De Rijksadviseur voor cultureel erfgoed werd de laatste jaren niet herbenoemd. De commissie adviseert de minister om in overleg te gaan met het College van Rijksadviseurs om een Rijksadviseur toe te voegen, die zich in elk geval ook richt op het roerend erfgoed. Met deze extra functie kan het College van Rijksadviseurs het roerend erfgoed in de fysieke leefomgeving beter waarderen dan nu het geval is. De aan te stellen Rijksadviseur dient in nauw contact te staan met de nieuwe deskundigencommissie.

Aanbeveling 10

Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van de regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag gekoppeld aan de begrotingsbehandeling.

In de vorige paragrafen deed de commissie een aantal aanbevelingen die volgens haar leiden tot een betere toepassing van de regels uit de Erfgoedwet in de praktijk. De Tweede Kamer heeft hierin een belangrijke controlerende taak. Een dergelijke taak komt – meer informeel – eveneens toe aan de maatschappij, in het bijzonder vertegenwoordigd door belangen- en ledenorganisaties.

Om aan deze controlerende taak effectiever uitvoering te kunnen geven, beveelt de commissie de minister van OCW aan om de Tweede Kamer jaarlijks over de toepassing van de Erfgoedwet in de praktijk te informeren. Een ‘jaarverslag Erfgoedwet (roerend goed)’ (en desgewenst met daaraan toegevoegd de rijksmonumenten en archeologische vondsten) is volgens de commissie hiervoor een geschikt instrument, bij voorkeur gekoppeld aan de begrotingsbehandeling. Door toezending van dit jaarverslag aan de Tweede Kamer is dit tevens raadpleegbaar voor ieder ander. Het jaarverslag zou verder moeten worden gepubliceerd op de nieuwe voorlichtingswebsite van de in te stellen deskundigencommissie.

Tussenconclusie

Resumerend doet de commissie tien aanbevelingen voor een adequate bescherming van het Nederlands cultuurbezit.

De commissie adviseert de minister op korte termijn het volgende:

  1. Ontwikkel een visie op de dynamische Collectie Nederland.
  2. Benoem mede daartoe opnieuw een onafhankelijke, vaste deskundigencommissie met de taak het cultuurgoed in Nederland verder te inventariseren en te actualiseren, hierover aan de minister te adviseren en hierover met het bredere netwerk van particulieren te communiceren.
  3. Stel in samenspraak met bovengenoemde deskundigencommissie nieuwe beleidsregels op die leiden tot meer rechtszekerheid voor betrokkenen en tot een minder terughoudend aanwijzingsbeleid.

Deze beleidsregels moeten antwoorden verschaffen op de volgende vragen:

  • Hoe verhouden de verschillende regelingen uit de Erfgoedwet zich tot elkaar, in het bijzonder ten aanzien van de aanwijzingsregeling?
  • Voor wie geldt primair de aanwijzingsregeling, (hoe) wordt die regeling toegepast op publiek versus particulier bezit (en wat wordt bedoeld met ‘particulier bezit’)? Op basis van welke andere waarborgen dan een aanwijzing kan worden vertrouwd dat een belangwekkend cultuurgoed voldoende is beschermd?
  • Wat wordt precies verstaan onder de open aanwijzingscriteria van de Erfgoedwet, rekening houdend met de huidige tijdgeest en ontwikkelingen in de samenleving?

De commissie adviseert de minister om in plaats van een terughoudend aanwijzingsbeleid een actief, betrokken aanwijzingsbeleid te ontwikkelen.


Deze aanpak op de kortere termijn leidt de facto tot de volgende beslisboom:

De commissie meent dat opvolging van bovengenoemde aanbevelingen om twee redenen profijt oplevert voor zowel de minister als voor particuliere en publieke eigenaren.

Ten eerste blijft de (Rijks)overheid aan zet. Zij blijft verantwoordelijk voor een zorgvuldige vorming van en omgang met het Nederlands cultuurbezit. De minister wordt meer dan nu geprikkeld om eventuele hiaten in het publieke deel van het Nederlands cultuurbezit op te vullen. Op die manier worden particuliere eigenaren zoveel als mogelijk ontzien van maatregelen die inbreuk maken op hun eigendomsrecht. Immers, aanwijzing van een cultuurgoed in particulier bezit is niet langer nodig als een vergelijkbaar goed in de publieke collectie is opgenomen of daaraan alsnog wordt toegevoegd, danwel als er al voldoende andere waarborgen bestaan ter bescherming van die cultuurgoederen.

Ten tweede vergroot het instellen van een deskundigencommissie, in samenhang met het voeren van een actiever, meer betrokken aanwijzingsbeleid, de weerbaarheid van de minister. Immers, op dit moment heeft de minister plotseling en razendsnel te beslissen of een cultuurgoed beschermwaardig is, op het moment dat het reeds op het punt staat uit Nederland te verdwijnen. De commissie ziet dit als een schier onmogelijke positie, mede omdat met dit beleid het risico op maatschappelijke onrust groot is.

Voor een optimale uitwerking van het bovenstaande, doet de commissie daarnaast een aantal aanbevelingen voor middellange en langere termijn om de balans tussen de bescherming van publiek en particulier cultuurbezit te verbeteren en de regelingen uit de Erfgoedwet effectiever in te zetten:

  1. Bied de particuliere eigenaar van een aangewezen cultuurgoed of verzameling een tegenprestatie op maat, bijvoorbeeld van fiscale aard.
  2. Vergroot de kenbaarheid over de regelingen uit de Erfgoedwet en het nieuw op te stellen beleid door middel van aangescherpte, duidelijke voorlichting.
  3. Neem in de wet een bekendmakingsregeling op om betrokkenen op de hoogte te stellen wanneer belangwekkende cultuurgoederen uit Nederland dreigen te verdwijnen, en verleng de termijn waarop potentiële kopers zich kunnen melden bij de minister. Dit vergroot hun mogelijkheden om middelen te verwerven voor aankoop, en dus om belangrijk werk voor Nederland te behouden.
  4. Ontwikkel een model of protocol om de (internationale) marktwaarde van een cultuurgoed of verzameling te bepalen bij een aanbod tot koop door de Staat.
  5. Waarborg, liefst bij wet, dat er altijd voldoende overheidsmiddelen aanwezig zijn in het Nationaal Aankoopfonds, voor eventuele aankoop van (beschermde) cultuurgoederen en verzamelingen die uit Nederland dreigen te verdwijnen.
  6. Voeg aan het College van Rijksadviseurs een Rijksadviseur toe.
  7. Er moet een jaarlijkse informatieplicht aan de Tweede Kamer komen over de toepassing van de regelingen uit de Erfgoedwet, door middel van een jaarverslag gekoppeld aan de begrotingsbehandeling.

Door het opvolgen van bovenstaande aanbevelingen kan de minister in de ogen van de commissie komen tot een daadwerkelijke, adequate bescherming van het Nederlands cultuurbezit vanuit een actief en betrokken beleid. Een beleid dat rechtdoet aan de vele uiteenlopende belangen en posities van al diegenen die, publiek of particulier, betrokken zijn bij de Collectie Nederland en daarmee garant staan voor de grote meerstemmigheid van het Nederlands cultureel erfgoed.

Artikel 1:3 lid 4 Algemene wet bestuursrecht: ‘Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.’ (cursivering door de commissie)

Juridische analyse van de Erfgoedwet, constatering 3.

De commissie vindt dat het Franse en het Britse systeem niet passen bij de Nederlandse traditie van vrije (kunst)handel.
Bijlage: Wet- en regelgeving in de ons omringende landen.

Onder het ‘up-to-date houden’ verstaat de commissie overigens niet alleen het nieuw aanwijzen van cultuurgoederen, maar nadrukkelijk ook het indien mogelijk intrekken van eerdere aanwijzingen. Dit laatste kan aan de orde zijn als een vergelijkbaar cultuurgoed in publiek bezit is gekomen.

In dit geval draagt overigens het museum de zorg voor beveiliging en verzekering van het cultuurgoed.

De Erfgoedwet in de praktijk, knelpunt 9.

Aanbevelingen