Juridische analyse

1.1. Introductie

(1) Deze bijlage van het advies bevat de juridische analyse, die ten grondslag ligt aan de bevindingen als beschreven in hoofdstuk Juridische analyse van de Erfgoedwet van dit advies.

(2) Met het oog op het juridische karakter van de adviesvraag geeft de commissie in deze bijlage ten eerste een overzicht van de huidige wet- en (beleids)regelgeving ter zake (paragraaf 1.2). Voor een beter begrip van de huidige regels schetst de commissie in de daarop volgende paragraaf 1.3 op hoofdlijnen – maar uitgebreider dan in het advies zelf – de historische ontwikkeling van de wet- en beleids)regelgeving inzake cultuurgoederen. Mede conform het verzoek van de minister om aandacht te besteden aan een aantal nader genoemde specifieke zaken, licht de commissie in paragraaf 1.4 een aantal elementen van de huidige aanwijzingsregeling verder toe. In deze bijlage wordt niet separaat ingegaan op de fiscale en douanerechtelijke kaders, omdat deze in dit advies niet centraal staan.

1.2. De Erfgoedwet

1.2.1. Introductie

(3) De Erfgoedwet bevat regels op het terrein van het cultureel erfgoed. Het begrip ‘cultureel erfgoed’ is in de Erfgoedwet gedefinieerd als ‘uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden.’ 1 Hoewel de definitie van dit wettelijke begrip breed is, 2 richten de regels van de Erfgoedwet zich kort en goed tot de volgende vier vormen van dit cultureel erfgoed: cultuurgoederen en verzamelingen (hoofdstukken 2-4), monumenten (hoofdstuk 3), ensembles (hoofdstuk 3) en archeologische monumentenzorg (hoofdstuk 5).

(4) Dit advies beperkt zich tot de regeling inzake cultuurgoederen en verzamelingen. Het advies gaat niet in op het belang van ensembles, maar behandelt ensembles wel in deze bijlage voor een totaalbeeld van de regeling. De overige delen uit de Erfgoedwet blijven in dit advies buiten beschouwing.

(5) Wie de Erfgoedwet bestudeert, ziet dat er in die wet vier soorten regelingen (met daaronder weer subregelingen) zijn opgenomen ter bescherming van cultuurgoederen, verzamelingen en/of ensembles. Dit zijn:

  1. de regeling inzake (beschermde) cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles, hierna aan te duiden als de ‘aanwijzingsregeling’ (paragraaf 1.2.3);
  2. de regeling inzake cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon (paragraaf 1.2.4);
  3. de regeling inzake cultuurgoederen in openbare of kerkelijke collecties (paragraaf 1.2.5); en
  4. overige regelingen in de Erfgoedwet tot bescherming van cultuurgoederen (paragraaf 1.2.6).

(6) Alvorens hierna de wettelijke regelingen verder te bespreken, benoemt de commissie hierna eerst kort hetgeen de wetgever verstaat onder de begrippen cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles (paragraaf 1.2.2).

1.2.2. (Beschermde) cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles

(7) Het begrip ‘cultuurgoed’ is door de wetgever in de Erfgoedwet gedefinieerd als een ‘roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed’. 3 Wanneer sprake is van ‘cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen’ wordt in de Erfgoedwet gesproken van een ‘verzameling’. 4 Een ensemble is een combinatie van een rijksmonument en cultuurgoederen. 5

(8) Cultuurgoederen en verzamelingen kunnen op grond van de Erfgoedwet zijn beschermd. Van een ‘beschermd cultuurgoed’ is blijkens de Erfgoedwet sprake als dit ‘a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid; of c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt.’ 6 Van een ‘beschermde verzameling’ is sprake als deze ‘is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid.’ 7 Met een ensemble bedoelt de wetgever ‘een op grond van artikel 3.13 aangewezen rijksmonument met cultuurgoederen.’ 8

1.2.3. De aanwijzingsregeling inzake (beschermde) cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles

(A) Introductie en reikwijdte

(9) Cultuurgoederen in zowel particulier als publiek bezit kunnen op grond van de Erfgoedwet worden beschermd. Het betreft bescherming in die zin, dat het cultuurgoed in kwestie in beginsel bewaard blijft voor Nederland. In de Erfgoedwet wordt overigens nergens gesproken van ‘particulier bezit’, dan wel van een andere bewoording met gelijke betekenis. Dit is anders voor de bescherming van een deel van het publiek bezit van cultuurgoederen, waarvoor in de Erfgoedwet met naam en toenaam een (andere) regeling is getroffen. In de praktijk wordt daarentegen aangenomen dat de aanwijzingsregeling primair van toepassing is op cultuurgoederen in particulier bezit. Nogmaals, dit blijkt dus niet als zodanig uit de Erfgoedwet zelf en ook de minister lijkt aanwijzing van cultuurgoederen in publiek bezit niet geheel uit te sluiten.

(B) De aanwijzing van beschermd cultuurgoed of verzameling

(10) Beschermwaardige cultuurgoederen kunnen als zodanig door de minister van OCW ‘ambtshalve’ bij besluit worden aangewezen. 9 De minister heeft ook de ambtshalve bevoegdheid tot wijziging of intrekking van een dergelijke aanwijzing en om feitelijke verbeteringen in de omschrijving van het cultuurgoed door te voeren. 10 Het ambtshalve karakter van deze ministeriële aanwijzingsbevoegdheid en het juridisch karakter van het aanwijzingsbesluit worden nader toegelicht in paragraaf 1.4.3. Als een cultuurgoed reeds als beschermd is aangewezen, gelden er bepaalde regels die de eigenaar van het beschermde cultuurgoed in acht heeft te nemen, waarover hierna onder (E) meer. Hierna licht de commissie eerst de aanwijzingsbevoegdheid toe.

(11) Aanwijzing van een cultuurgoed als beschermd is aan de orde als dat goed ‘van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit (…).’ 11De criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ zijn door de wetgever in de Erfgoedwet enigszins geduid, namelijk als dat een cultuurgoed onvervangbaar is ‘indien er geen of nagenoeg geen ander of gelijksoortig cultuurgoed in goede staat in Nederland aanwezig is.’ 12 Een cultuurgoed is onmisbaar ‘indien het een symboolfunctie, schakelfunctie of ijkfunctie heeft.’ 13 In de wetsgeschiedenis is enige verdere duiding van de toepasselijke aanwijzingscriteria gegeven, hoewel voorop staat dat bewust gekozen is voor vage en open normen, die de minister een discretionaire ruimte laten in de beoordeling van de al dan niet beschermwaardigheid van een bepaald cultuurgoed (zelfs al wordt aan de criteria voldaan, dan nog steeds heeft de minister de ruimte om een cultuurgoed niet aan te wijzen op grond van de ‘kan’-bepaling) (zie ook randnummer (40) van deze bijlage). De parlementaire toelichting op de aanwijzingscriteria wordt weergegeven in paragraaf 1.4.6.

(12) De aanwijzingsbevoegdheid en -criteria gelden in soortgelijke zin voor te beschermen verzamelingen. 14 Het besluit tot aanwijzing bevat in dat geval een algemene omschrijving van de te beschermen verzameling en geeft een opsomming van de cultuurgoederen die tot die verzameling behoren. 15 Naast deze reguliere aanwijzingsbevoegdheid, kan de minister van OCW tevens ‘in een spoedeisend geval’ een verzameling als beschermwaardig aanwijzen. 16 De minister krijgt van de wetgever in het geval van een dergelijke spoedaanwijzing van een verzameling, de gelegenheid om pas na het nemen van het besluit, maar wel ‘zo spoedig mogelijk’ daarna, de cultuurgoederen die tot die verzameling behoren, vast te stellen. Desalniettemin zijn die cultuurgoederen wel reeds vanaf het moment van het genomen aanwijzingsbesluit beschermd, op basis van de algemene omschrijving van de verzameling in dat besluit. Via de band van een verzameling kunnen dus ook individuele cultuurgoederen als beschermd zijn aangewezen.

(13) Anders dan voor verzamelingen kent de Erfgoedwet geen nadrukkelijke bepaling voor een spoedaanwijzing van een te beschermen cultuurgoed (die bestond er wel in de Wbc). Uit de door de minister van OCW vastgestelde ‘Beleidsregel aanwijzing beschermde cultuurgoederen 2016’ (de ‘Beleidsregel’) is evenwel op te maken dat de minister een cultuurgoed ‘uitsluitend aan[wijst] als beschermd cultuurgoed in een spoedeisend geval.’ 17 18 Dit beleid is eveneens vastgelegd ten aanzien van verzamelingen. 19 De Beleidsregel verduidelijkt dat met ‘een spoedeisend geval’ in ieder geval wordt bedoeld ‘de situatie dat een cultuurgoed of verzameling die voldoet aan de inhoudelijke criteria, bedoeld in artikel 3.7, vierde lid van de wet, op het punt staat voorgoed naar het buitenland te worden uitgevoerd.’ 20 Het valt de commissie op dat hier alleen naar lid 4 van artikel 3.7 van de Erfgoedwet wordt verwezen, waarin uitsluitend de criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ worden genoemd en niet tevens de criteria van ‘bijzonder cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid’.

(14) In beginsel is voor de aanwijzing als beschermd cultuurgoed geen toestemming van de eigenaar nodig. Op deze hoofdregel bestaan twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is aan de orde als de eigenaar tevens de vervaardiger of kort gezegd een erfgenaam van de vervaardiger van het cultuurgoed is. 21 De tweede uitzondering is aan de orde indien de eigenaar het cultuurgoed zelf in Nederland heeft gebracht of het binnen vijf jaar nadien heeft verworven (al dan niet door het cultuurgoed te erven). 22

(15) De Erfgoedwet bepaalt ook nadrukkelijk dat voor een aantal in de wet omschreven situaties niet tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of verzameling mag worden overgegaan. 23 Dit ‘verbod tot aanwijzing’ geldt in drie omstandigheden. Ten eerste indien het cultuurgoed (of: verzameling) ‘berust onder iemand die tijdelijk zijn woonplaats naar Nederland verplaatst.’ Ten tweede geldt er een verbod in de situatie dat een cultuurgoed is uitgeleend voor een tijdelijke tentoonstelling in Nederland. Ten derde als ‘wegens hiermee vergelijkbare omstandigheden’ het cultuurgoed naar het oordeel van de minister van OCW niet in Nederland thuishoort. Samengevat zijn deze omstandigheden te duiden als een situatie waarin ‘duidelijk is dat zonder de beperking van de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid de invoer achterwege zou blijven.’ 24 De Erfgoedwet bepaalt verder dat de minister ‘niet eerder dan een jaar nadat de [hiervoor genoemde] omstandigheden (…) zich niet meer hebben voorgedaan over tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling.’ 25

(C) Plaatsing op de lijst van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen

(16) Een feitelijk gevolg van de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermwaardig, is dat beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen in een ‘register beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen’ worden ingeschreven en vermeld. 26 In de volksmond wordt vaak nog gesproken van een ‘lijst’ in plaats van een ‘register’, indachtig de oude regeling uit de Wbc.

(17) De minister heeft als wettelijke taak deze lijst bij te houden. 27 In de lijst zijn ‘in ieder geval’ een beschrijving en motivering van de aanwijzing van beschermde cultuurgoederen en een algemene omschrijving, een opsomming van de bijbehorende cultuurgoederen en een motivering van de aanwijzing van beschermde verzamelingen opgenomen. 28 De lijst is voor een ieder raadpleegbaar, met uitzondering van informatie over de eigenaren ‘of’ verblijfplaats van de beschermde cultuurgoederen en verzamelingen. 29

(18) De ‘roerende zaken’ en verzamelingen die al als ‘beschermde voorwerpen’ onder de inmiddels vervallen Wbc waren aangewezen en daarom op de lijst stonden vermeld, zijn nog steeds aangewezen en staan nog steeds op de lijst onder de nieuwe Erfgoedwet. 30 De status van deze reeds beschermde cultuurgoederen is met de Erfgoedwet dus niet veranderd. 31

(D) Een bijzondere, afwijkende regeling voor beschermde ensembles

(19) Naast cultuurgoederen en verzamelingen kunnen ook ensembles als beschermwaardig worden aangewezen. De Erfgoedwet kent hiervoor een afwijkende regeling. De achtergrond hiervan is dat de wetgever geen aanwijzingsregeling voor ensembles wilde opnemen in de Erfgoedwet, maar dat een dergelijke regeling alsnog via amendering door de Tweede Kamer in de wet is gekomen. 32

(20) De minister van OCW ‘kan ambtshalve besluiten een rijksmonument tezamen met cultuurgoederen aan te wijzen als ensemble, indien het geheel van rijksmonument en de cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is.’ 33 De criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ die voor de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling gelden, gelden blijkens deze wettekst niet voor ensembles.

(21) Feitelijk gevolg van de aanwijzing van een beschermd ensemble, is dat deze wordt vermeld in een ‘informatiesysteem’ dat aan het rijksmonumentenregister is gekoppeld. 34 Dit systeem is, net als de hiervoor genoemde lijst, voor een ieder raadpleegbaar. 35 In het informatiesysteem wordt over een ensemble opgenomen ‘in ieder geval een algemene omschrijving, een opsomming van het rijksmonument en, voor zover de eigenaar daarmee heeft ingestemd, de cultuurgoederen die behoren tot het ensemble en de motivering van de aanwijzing van het ensemble.’ 36

(22) Om te beginnen zijn er twee verschillen op te merken tussen dit informatiesysteem van beschermde ensembles in vergelijking met de lijst voor beschermde cultuurgoederen en verzamelingen. Ten eerste zijn blijkens de wettekst eventuele gegevens over eigenaren en de verblijfplaats van ensembles niet afgeschermd, anders dan geldt bij beschermde cultuurgoederen en verzamelingen. Daarnaast is voor vermelding van de cultuurgoederen die bij een ensemble behoren in het informatiesysteem, toestemming van de eigenaar ervan nodig. Deze verplichting bestaat niet voor vermelding van de beschermde cultuurgoederen en verzamelingen in de daarvoor dienende lijst.

(23) Verder is een ander verschil tussen de aanwijzingsregeling voor cultuurgoederen en verzamelingen en de aanwijzingsregeling voor ensembles dat aan de aanwijzing tot beschermd ensemble verder geen regeling tot bescherming is gekoppeld. De hierna toe te lichten regeling tot bescherming van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen geldt namelijk niet voor ensembles. Dat roept nadrukkelijk de vraag op of het bijvoorbeeld vervreemden van een roerende zaak uit een beschermd ensemble zonder toestemming mogelijk is. De minister beantwoordt deze vraag bevestigend in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet. 37 De roerende zaken die deel uitmaken van een beschermd ensemble zijn dus niet op individuele basis beschermd; anders dan de individuele cultuurgoederen die deel uitmaken van een beschermde verzameling, zo stelt de commissie vast.

(E) De bescherming van beschermde cultuurgoederen

(24) De aanwijzing van cultuurgoederen als beschermd bewerkstelligt dat een aantal handelingen met het betreffende beschermde cultuurgoed is verboden, tenzij die handeling tijdig is gemeld en/of dat toestemming van de inspecteur of minister van OCW is verkregen. De regels hieromtrent zijn neergelegd in paragraaf 4.1 van de Erfgoedwet. Deze regels spreken overigens alleen van beschermde cultuurgoederen en niet ook van verzamelingen of ensembles. Desalniettemin volgt uit de wijze waarop een verzameling als beschermd wordt aangewezen, dat de cultuurgoederen die tot die verzameling behoren tevens op individuele basis zijn beschermd. De commissie ziet dit bevestigd in de wetsgeschiedenis: ‘Wanneer een verzameling eenmaal als beschermde verzameling is aangewezen, is elk cultuurgoed uit de verzameling een beschermd cultuurgoed, ook al is dat cultuurgoed op zichzelf bezien niet onvervangbaar en onmisbaar.’ 38 Deze uitleg is niet van toepassing op cultuurgoederen die deel uitmaken van een (beschermd) ensemble.

(25) Stapsgewijs geldt het volgende regime voor een beschermd cultuurgoed:

  1. Verbod zonder melding: het is ‘verboden’ om ‘zonder voorafgaande schriftelijke melding aan de inspecteur’ een beschermd cultuurgoed ‘te verplaatsen, in veiling te brengen, te vervreemden, te bezwaren, te verhuren, in bruikleen te geven; of bij boedelscheiding aan een niet-ingezetene toe te delen.’ 39 Deze handelingen worden hierna gezamenlijk aangeduid als de ‘Handelingen’. Overtreding van dit verbod levert een strafrechtelijk economisch delict op. 40 De Erfgoedwet regelt niet wanneer en op welke wijze de handeling schriftelijk moet worden gemeld. Dit is evenmin vastgelegd in onderliggende (beleids)regelgeving.
  2. Wachttijd en vereiste toestemming: na het moment waarop de melding is gedaan, geldt er een ‘wachttijd’ van zes weken waarin het verboden is om de betreffende Handeling zonder toestemming van de inspecteur (de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed) of de minister van OCW te verrichten. 41 Als het beschermde cultuurgoed louter binnen Nederland wordt verplaatst, geldt dit verbod niet en is daarvoor dus geen toestemming nodig. 42 Bestaat het voornemen om een beschermd cultuurgoed buiten Nederland te brengen, dan kan alleen de minister van OCW daarvoor de vereiste toestemming verlenen. 43
  3. Als uitkomst van de wachttijd zijn er vervolgens twee scenario’s denkbaar:
    • De minister heeft bedenkingen bij de voorgenomen Handeling: de hiervoor toegelichte wachttijd biedt de minister de gelegenheid schriftelijke bedenkingen tegen de voorgenomen handeling te uiten. Als er bedenkingen zijn, blijft de handeling verboden, tenzij aan de door de minister eventueel gestelde bijkomende voorschriften wordt voldaan (als dergelijke voorschriften worden gegeven, zijn de stappen (4) en (5) als hierna toegelicht niet aan de orde). 44 45 46 De minister is beperkt in het uiten van bedenkingen. Deze mogen namelijk alleen worden gegeven ‘op de overweging dat er gevaar is voor het verlies van het beschermd cultuurgoed voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit.’ 47 Dit criterium geldt ook voor het stellen van voorschriften aan de Handeling. 48
    • De minister heeft geen bedenkingen bij de voorgenomen Handeling: in het geval de minister geen bedenkingen uit, ‘is een handeling na een jaar na de verzending van de melding opnieuw verboden.’ 49 Met andere woorden, de Handeling is in deze situatie binnen een jaar na de gedane melding toegestaan. De omstandigheid dat er geen bedenkingen bestaan, bevestigt de minister van OCW desgevraagd schriftelijk binnen acht dagen. 50 Zijn er eerder wel bedenkingen geuit, maar worden deze ingetrokken, dan geldt dezelfde regel: de Handeling is dan voor de duur van een jaar na de intrekking van de bedenkingen toegestaan. 51
  1. Publicatieplicht in de Staatscourant bij bedenkingen: de geuite bedenkingen worden openbaar gemaakt, in ieder geval door plaatsing ervan in de Staatscourant en op een (andere) geschikte wijze. Deze publicatieplicht geldt alleen indien het gaat om de vervreemding, toedeling aan een niet-ingezetene of de verplaatsing van het beschermd cultuurgoed naar de buiten Nederland gelegen vaste woonplaats van de eigenaar. 52
  2. Meldtijd potentiële kopers: na de hiervoor genoemde publicatie in de Staatscourant van de voorgenomen vervreemding krijgen potentiële kopers van het cultuurgoed zes weken de gelegenheid zich in dat verband bij de minister van OCW aan te melden. 53
  3. Aanbod van de Staat: na afloop van de periode waarin potentiële kopers zich kunnen melden, gelden de bedenkingen van de minister van OCW als een aanbod van de Staat het beschermd cultuurgoed aan te kopen. 54 Dit aanbod geldt drie maanden, maar wordt opgeschort als er bij de rechtbank Den Haag een procedure over de koopprijs aanhangig is of indien er een overeenkomst tot arbitrage tussen de Staat en de eigenaar van het beschermd cultuurgoed bestaat. 55 56 De driemaandentermijn kan worden verlengd. 57 Op verzoek van de eigenaar kan het moment van de aanvang van het aanbod worden uitgesteld. 58
  4. Onderhandeling minister van OCW en eigenaar: na aanvang van de termijn waarin de bedenkingen van de minister van OCW moeten worden beschouwd als een aanbod tot aankoop door de Staat van het beschermd cultuurgoed, treedt de minister ‘onverwijld’ met de eigenaar van het cultuurgoed in kwestie in onderhandeling ‘over de koopprijs en de overige verkoopvoorwaarden.’ 59
    • (a) Gerechtelijke procedure tot vaststelling van de koopprijs: indien de betrokken partijen niet tot overeenstemming van de prijs komen, wordt deze ‘op verzoek van een van de partijen’ door de rechtbank Den Haag vastgesteld. Uitzondering is daar, indien de eigenaar ‘te kennen geeft af te zien van de handeling of Onze Minister de daartegen aangevoerde bedenkingen intrekt.’ 60 Het komt de commissie voor dat dergelijke omstandigheden bij alle stappen van het beschermingsregime hebben te leiden tot beëindiging ervan. De rechtbank vraagt eerst ter zake advies aan deskundigen, alvorens de prijs te bepalen, waarop partijen kunnen reageren. 61 62 Tegen deze gerechtelijke beslissing staat zo nodig beroep in cassatie bij de Hoge Raad open. 63
    • (b) Afzien van bedenkingen of de voorgenomen handeling: de wet bepaalt nadrukkelijk dat binnen een maand na gerechtelijke vaststelling van de koopprijs de eigenaar kan afzien van de voorgenomen handeling respectievelijk de minister kan afzien van de eerder geuite bedenkingen. 64 Als van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, ‘geldt de vastgestelde koopprijs als overeengekomen tussen partijen.’ De Erfgoedwet geeft in dit verband geen duiding van wat de status van eventuele andere verkoopvoorwaarden is (die de rechtbank niet tevens vaststelt, blijkens de wettekst).
  5. Belanghebbenden – vergoeding uitgaven: in het laatste wetsartikel van de aanwijzingsregeling wordt over eventuele belanghebbenden gesproken. Eventuele uitgaven van een belanghebbende vergoedt de minister van OCW namelijk desgevraagd ‘voor zover het nut daarvan is teniet gedaan door bedenkingen die zijn aangevoerd op grond van artikel 4.6.’ 65 Dit recht op vergoeding van uitgaven vervalt als de bedenkingen hebben geleid tot aankoop van het beschermde cultuurgoed door de Staat of een derde. 66 Evenmin worden uitgaven vergoed die ‘redelijkerwijs achterwege hadden moeten blijven.’ 67

(26) Tot slot, los beschouwd van het hiervoor weergegeven regime bij het voornemen tot een Handeling, geldt hoe dan ook dat de eigenaar van een beschermd cultuurgoed bij vervreemding of als hij rechten ten aanzien van dat cultuurgoed aan een ander verleent, de plicht heeft het bestaan van de beschermde status aan die ander mee te delen. 68 Verder heeft de eigenaar een meldingsplicht bij de inspectie in het geval van een vermissing of het tenietgaan van het beschermde cultuurgoed. Dit dient dan ‘onverwijld’ te worden gemeld. 69 Tot slot is de eigenaar verplicht het beschermde cultuurgoed aan de inspecteur te tonen, als daarom wordt gevraagd. 70 Overtreding van al deze verplichtingen is strafbaar. 71

1.2.4. De regeling inzake (beschermde) cultuurgoederen in eigendom van Staat, provincie, gemeente (of andere publiekrechtelijke rechtspersoon)

(27) In de vorige paragraaf heeft de commissie de aanwijzingsregeling toegelicht. Anders luidt de regeling voor cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, en provincie, een gemeente (of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon). De toevoeging ‘of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon’ tussen haakjes heeft als reden dat de hierna toe te lichten regeling voor de Staat, provincies en gemeenten helemaal geldt en voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen (zoals een publiekrechtelijke universiteit) slechts voor een deel geldt. 72 De commissie licht dat hierna verder toe. Deze regeling is opgenomen in paragraaf 4.2 van de Erfgoedwet.

(28) Ook organen van een publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen besluiten een cultuurgoed of verzameling in eigendom te vervreemden. Een dergelijk besluit is trouwens niet bestuursrechtelijk appellabel en daarover kan dus niet bij de bestuursrechter door belanghebbenden worden geprocedeerd. Wanneer de Staat, een provincie of een gemeente een voornemen tot zo’n besluit tot vervreemding heeft, dient dit voornemen te worden bekendgemaakt ‘op een door Onze Minister aangewezen wijze.’ 73 In het onderliggende ‘Besluit aanwijzing wijze bekendmaken voorgenomen besluiten tot vervreemding cultuurgoed of verzameling’ is bepaald dat bekendmaking geschiedt in de ‘Afstotingsdatabase’ van het Museum Register ‘of’ (dus niet én) in de Staatscourant. 74 De bekendmaking van een voorgenomen besluit tot vervreemding van een cultuurgoed houdt ‘in elk geval’ in een ‘beschrijving van het cultuurgoed of de verzameling, een motivering van de voorgenomen vervreemding en een mededeling of advies wordt gevraagd als bedoeld in artikel 4.18.’ 75

(29) Vervolgens onderscheidt de beschermingsregeling zich in twee sporen: (1) een spoor waarin het verantwoordelijke orgaan van de publiekrechtelijke rechtspersoon niet om advies aan een deskundigencommissie vraagt en (2) een spoor waarin wel om een dergelijk advies wordt gevraagd. Dit procedurevoorschrift tot het vragen om advies geldt niet alleen voor de Staat, provincie of gemeente, maar ook voor ‘het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon’. 76 Maar voor die andere publiekrechtelijke rechtspersonen geldt niet de bekendmakingsverplichting.

  1. Er wordt niet om een deskundigenadvies gevraagd: als er geen advies wordt gevraagd, dan kan ‘een ieder’ binnen zes weken na bekendmaking van het voornemen tot vervreemding een zienswijze indienen ‘over de vraag of het cultuurgoed of de verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit.’ 77 Deze criteria zijn gelijkelijk aan de criteria die gelden voor de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling in particulier bezit als beschermwaardig. De genoemde zeswekentermijn geldt de facto als een wachttijd, want het is in die periode namelijk niet toegestaan tot vervreemding van het cultuurgoed of de verzameling in kwestie over te gaan. 78 Ná de zeswekentermijn worden de eventueel ingediende zienswijzen beoordeeld door het aangewezen orgaan van de betreffende publiekrechtelijke rechtspersoon. Zo nodig wordt er dan alsnog om advies gevraagd. 79 Afgaande op de wettekst is het dus sec beschouwd mogelijk reeds het cultuurgoed of de verzameling in kwestie te vervreemden, alvorens de binnengekomen zienswijzen zijn beoordeeld, zo constateert de commissie.
  2. Er wordt wel om een deskundigenadvies gevraagd: de Erfgoedwet bepaalt dat het verantwoordelijke orgaan van de Staat (Onze Minister), provincie (gedeputeerde staten), gemeente (college van burgemeester en wethouders) of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon om advies vraagt ‘aan een commissie van onafhankelijke deskundigen’ indien aan twee in de wet opgesomde criteria wordt voldaan. 80 Het is dus het orgaan dat tot vervreemding van het betreffende cultuurgoed of de verzameling wil overgaan, zelf dat beslist of om een onafhankelijk en deskundig advies over die vervreemding wordt gevraagd. De wettelijke cumulatieve criteria objectiveren deze vrijheid van het verantwoordelijke orgaan in (slechts) enige mate. Die criteria luiden als volgt:
    • ‘indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat het cultuurgoed of de verzameling bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit;’ 81
    • indien vervreemding wordt overwogen aan een andere partij dan de Staat, een provincie, een gemeente, of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon.’ 82

De Erfgoedwet bepaalt voorts dat de commissie die om advies wordt gevraagd ‘adviseert over de vraag of de voorgenomen vervreemding een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of dat die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit.’ 83

De commissie is als gezegd onafhankelijk en deskundig. De commissie bestaat uit ten minste drie leden, inclusief de voorzitter. 84 De eis van deskundigheid van de commissie wordt gewaarborgd, omdat die ‘mede’ heeft te zien ‘op de specifieke eigenschappen van het cultuurgoed of de verzameling waarover om advies wordt gevraagd.’ 85 De eis van een onafhankelijke commissie wordt gewaarborgd met het verbod voor de leden dat zij ‘anders dan uit hoofde van het lidmaatschap van de commissie geen werkzaamheden voor de betrokken rechtspersoon’ mogen verrichten. ‘Ook anderszins hebben deze leden geen belangen of functies waardoor de onafhankelijkheid van hun inbreng of het vertrouwen in die onafhankelijkheid in het geding kan zijn.’ 86 Volgens de wetgever wordt in ieder geval aan de eisen van onafhankelijkheid en deskundigheid voldaan, als het orgaan de zogenaamde ‘beschermwaardigheidscommissie’ van de Museumvereniging voor advies inschakelt. 87

In het geval er om een advies is gevraagd en dit advies luidt dat het cultuurgoed of de verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is of dat die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit, dan kent de Erfgoedwet de regeling dat daarvan melding wordt gedaan aan de minister van OCW, tevens met toezending van het advies, ‘ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding aan een andere partij dan de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon.’ 88 Volgens de wetgever wordt hiermee de minister van OCW in staat gesteld ‘indien gewenst tijdig (…) te kunnen [over]gaan tot vernietiging van het besluit of aanwijzing als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.’ 89 Vernietiging van het besluit tot vervreemding van het cultuurgoed vindt zijn juridische grondslag in artikel 268 Gemeentewet of artikel 261 Provinciewet. Dat bij wijze van alternatief ook zou kunnen worden overgegaan tot aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermd, toont aan dat de aanwijzingsregeling ‘inzake particulier bezit’ niet volledig tot dat soort bezit is beperkt maar die regeling zo nodig ook op bezit in het publiek domein kan worden toegepast.

(30) De bepalingen inzake de regeling voor cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, een provincie, een gemeente (of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon) zijn niet opgenomen in de Wet economische delicten, anders dan bepalingen inzake de aanwijzingsregeling. Dit betekent dat overtreding van de hiervoor genoemde bepalingen inzake het cultuurgoed in publiekrechtelijk bezit geen strafbaar feit oplevert.

1.2.5. De regeling inzake cultuurgoederen in openbare of kerkelijke collecties

(31) De Erfgoedwet kent een afzonderlijke regeling voor cultuurgoederen die zich in openbare of kerkelijke collecties bevinden. De Erfgoedwet definieert niet expliciet het begrip ‘collectie’. Uit de wetsgeschiedenis is daarentegen op te maken dat een ‘collectie’ iets anders is dan bijvoorbeeld een ‘verzameling’. Een ‘collectie’ kenmerkt zich ‘door de plaats waar de cultuurgoederen zijn samengebracht of door de persoon of rechtspersoon die de cultuurgoederen heeft samengebracht. Een collectie kan meerdere verzamelingen omvatten.’ 90

(32) Er geldt een verbod tot het ‘buiten Nederland brengen’ van cultuurgoederen die tot een van de volgende collecties behoren, als er geen toestemming van de eigenaar is gegeven of als er geen vervangende vergunning door de minister van OCW is verleend (bijvoorbeeld als de eigenaar onbekend is). Andere vormen van vervreemding zijn op basis van deze regeling inzake openbare- en kerkelijke collecties blijkbaar niet aan een toestemming of vergunning onderhevig. De in de Erfgoedwet onderscheiden openbare- en kerkelijke collecties zijn de volgende:

  1. Openbare collectie in eigendom van de Staat of een openbaar lichaam: het is verboden een cultuurgoed ‘dat deel uitmaakt van een openbare collectie die is vermeld in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de Staat of een ander openbaar lichaam eigenaar is, buiten Nederland te brengen zonder dat de eigenaar daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.’ 91 Deze toestemming van de eigenaar kan worden vervangen door een vergunning van de minister van OCW, indien de eigenaar zich over het brengen van het cultuurgoed buiten Nederland niet verklaart. 92 Er gelden de facto dus twee eisen om te kunnen spreken van een cultuurgoed dat zich in een openbare collectie bevindt: (1) het cultuurgoed moet staan vermeld op een inventarislijst van een museum, een archief of in een vaste collectie van een bibliotheek, en (2) de Staat of een ander openbaar lichaam is eigenaar van die openbare collectie.
  2. Openbare collectie in eigendom van een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende mate wordt gefinancierd door subsidie die door de Staat of een ander overheidslichaam wordt verstrekt en die door de minister van OCW voor de toepassing van dit verbod is aangewezen: een openbare collectie ‘die is vermeld in de inventaris van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek’ kan ook in private eigendom zijn. Als deze eigendom ‘berust bij een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende mate wordt gefinancierd door subsidie die door de Staat of een ander overheidslichaam wordt verstrekt, en die door Onze Minister voor de toepassing van dit verbod is aangewezen’ geldt hetzelfde verbod als hiervoor onder (1) beschreven. 93
  3. Kerkelijke collectie van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis: het hiervoor genoemde verbod geldt verder voor cultuurgoederen die deel uitmaken van ‘een inventarislijst van cultuurgoederen van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis waarvan een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, of een ander genootschap op religieuze grondslag eigenaar is.’ 94 Het valt de commissie op dat het criterium als hier omschreven, niet tevens bevat de eisen van onmisbaar en onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit. Verder is het de commissie niet duidelijk wie bepaalt of een cultuurgoed al dan niet een cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis toekomt, als hiervoor bedoeld.
  4. De Rijkscollectie: het verbod geldt tot slot ook voor ‘de lijst van museale cultuurgoederen van de Staat als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid’, van de Erfgoedwet. Deze verwijzende bepaling schrijft voor dat de minister van OCW een lijst bijhoudt ‘van alle museale cultuurgoederen van de Staat die aanwezig zijn bij Onze Ministers wie het aangaat, de colleges van staat en de instellingen aan wie museale cultuurgoederen van de Staat in beheer zijn gegeven.’ Het gaat hier, met andere woorden, kort gezegd om cultuurgoederen die behoren tot de rijkscollectie en die zich binnen de organisatie van de Staat bevinden of bij instellingen aan wie museale cultuurgoederen in beheer zijn gegeven. 95

(33) Het verbod tot het buiten Nederland brengen van cultuurgoederen uit een openbare of kerkelijke collectie geldt ook voor bijvoorbeeld rijksmonumenten en onderdelen ervan of onrechtmatig opgegraven archeologische vondsten, maar deze verboden vallen buiten de reikwijdte van het onderhavige advies en komen daarom verder niet aan de orde. 96

1.2.6. Overige regelingen in de Erfgoedwet tot bescherming van cultuurgoederen

(34) Tot slot kent de Erfgoedwet een aantal overige regelingen tot bescherming van cultuurgoederen, die een Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke achtergrond hebben. Deze regelingen zijn de volgende:

  1. De aangewezen beschermde cultuurgoederen en de cultuurgoederen die deel uitmaken van een openbare of kerkelijke collectie (zie de vorige deelparagraaf) zijn tevens beschermd op basis van het Unesco-verdrag 1970 en de Europese Richtlijn 2014/60/EU (samenhangend met Verordening 1024/2012). 97 Het Unesco-verdrag bevat bepalingen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden of te verhinderen. De genoemde Europese richtlijn bevat regels inzake de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de lidstaat van de Europese Unie zijn gebracht, die met de Erfgoedwet in de Nederlandse rechtsorde zijn geïmplementeerd. Op grond van het Unesco-verdrag en als overgenomen in de Erfgoedwet verricht de minister van OCW verder ten eerste een aantal feitelijke handelingen, ‘zoals het organiseren van toezicht op oudheidkundige opgravingen, het zorgen voor het geven van voldoende bekendheid aan elke verdwijning van culturele goederen en het in kennis stellen van een verdragsstaat van het aanbod van culturele goederen die onrechtmatig uit de verdragsstaat zijn verwijderd.’ Ten tweede verricht de minister op basis van het Unesco-verdrag rechtshandelingen ‘zoals overeenkomsten of besluiten die kunnen bijdragen om het doel te bereiken.’ 98
  2. Op basis van de Europese Verordening (EG) 116/2009 betreffende uitvoer van cultuurgoederen is het verboden om cultuurgoederen die behoren tot een categorie als vermeld in bijlage I van deze verordening zonder vergunning van de minister van OCW uit te voeren buiten – kort gezegd – de Europese Unie. 99 100 De algemeen directeur van de Douane is door de minister van OCW gemandateerd tot het verlenen van uitvoervergunningen. 101 Het gaat om cultuurgoederen boven een bepaalde leeftijd (zoals schilderijen ouder dan 50 jaar en niet meer in het bezit van de maker) of boven een bepaalde financiële waarde (zoals schilderijen met een waarde hoger dan 150.000 euro). De minister kan een uitzondering op dit verbod maken voor ‘oudheidkundige voorwerpen ouder dan honderd jaar, die afkomstig zijn van opgravingen en vondsten op het land en in de zee dan wel van oudheidkundige locaties, indien deze cultuurgoederen’ aan bepaalde in de wet genoemde criteria voldoen. 102 In de Uitvoeringsverordening 1081/2012 zijn regels ter uitwerking van deze vergunningplicht opgenomen.
  3. Er geldt op grond van de Erfgoedwet een verbod tot het in Nederland brengen van een cultuurgoed dat in strijd met de regels van een andere verdragsstaat (op grond van het Unesco-verdrag)daaruit is verdwenen of is overgedragen of dat het om gestolen cultuurgoederen gaat, op grond van de regels van het Unesco-verdrag. 103 Bestaat er een vermoeden dat in Nederland sprake is van een cultuurgoed dat in strijd met het hiervoor beschreven verbod is ingevoerd, dan kan de minister dat cultuurgoed in bewaring nemen. 104 De verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is, kan de teruggave ervan vorderen. 105 Overigens kent het begrip ‘cultuurgoed’ in het kader van deze regeling en de regeling als hiervoor genoemd onder (3) een andere definitie, namelijk als vermeld in artikel 6.1, aanhef en sub c van de Erfgoedwet. 106
  4. De Erfgoedwet kent een soortgelijke regeling voor cultuurgoederen die afkomstig zijn uit bezet gebied. Het is verboden een dergelijk cultuurgoed Nederland binnen te brengen of in Nederland onder zich te houden. 107 Ook in deze situatie heeft de minister van OCW de bevoegdheid tot inbewaringneming van het cultuurgoed en kan het cultuurgoed worden teruggevorderd. 108 109 Overigens kent het begrip ‘cultuurgoed’ in het kader van deze regeling een andere definitie, namelijk als vermeld in artikel 6.9, aanhef en sub c van de Erfgoedwet. 110
  5. Tot slot dient hier genoemd te worden de plicht van de minister van OCW namens de Staat te aanvaarden cultuurgoederen of verzamelingen die voldoen aan de aanwijzingscriteria en om niet en zonder belastende voorwaarden aan de Staat worden overgedragen. 111 Deze aanvaardingsplicht is nieuw ten opzichte van de Wbc. Met deze regeling ‘wordt voorkomen dat belangrijk cultuurbezit waarvoor niemand de zorg voor het beheer op zich neemt, verloren gaat.’ 112 Volgens de wetgever gaat het hier om een juridische aanvaardingsplicht en kunnen er zo nodig afspraken over de transport- of uitvoeringskosten (anders dan uitgaven voor beheer en behoud) worden gemaakt, die met een dergelijke aanvaarding mogelijk gepaard gaan. 113 De minister hanteert geen actief beleid om via deze aanvaardingsplicht cultuurgoederen voor de rijkscollectie te verwerven.

1.2.7. De Leidraad Afstoten Museale Objecten (zelfregulering museale domein)

(35) In de voorgaande deelparagrafen is een overzicht van de wettelijke regelingen uit de Erfgoedwet geschetst. De museumsector kent naast de toepasselijkheid van deze regels uit de Erfgoedwet tevens een eigen ‘Leidraad Afstoten Museale Objecten’ (de ‘LAMO’). Deze vorm van zelfregulering heeft niet eenzelfde (rechts)kracht als de regels uit de Erfgoedwet, want overtreding van de LAMO leidt bijvoorbeeld niet tot een onrechtmatig of strafbaar handelen. Overtreding leidt volgens de LAMO tot de constatering dat niet langer aan de eisen van het Museumregister wordt voldaan en dat ultimo het museum uit het Museumregister wordt verwijderd en het lidmaatschap van de Museumvereniging komt te vervallen. De LAMO bevat een procedure die musea hebben te volgen als zij ‘objecten’ willen afstoten, door herplaatsing bij of buiten een ander geregistreerd museum. Onder museum verstaat de LAMO een in het Museumregister geregistreerd museum. Dit museum hoeft volgens de LAMO niet tevens de eigenaar van het af te stoten object te zijn. Is het museum geen eigenaar, dan is volgens de LAMO in beginsel toestemming van de eigenaar nodig om het object te mogen afstoten ((anders wanneer niet bekend is wie de eigenaar is (en sprake is van bulkafstoting). Deze zelfregulering geldt dus naast de regels van de Erfgoedwet, die altijd geldende rechtskracht heeft.

1.3. Een historische kenschets

1.3.1. Introductie

(36) Met uitzondering van de regeling voor de Staat, een provincie, gemeente of een ander publiekrechtelijke rechtspersoon zijn de andere regelingen uit de Erfgoedwet grotendeels overgenomen uit de Wbc. Aan de totstandkoming van de Wbc is destijds een lange voorbereidingstijd vooraf gegaan. In deze paragraaf wordt een historische kenschets gegeven van de wet- en regelgeving – of juist het gebrek daaraan – inzake met name de bescherming van cultuurgoederen in particulier bezit. Deze historie schetst de commissie in drie tijdsperken, te bespreken in chronologische volgorde:

  1. Het vooroorlogse tijdperk, waarin nog geen overheidsregeling bestond ter bescherming van cultuurgoederen (paragraaf 1.3.2);
  2. Het naoorlogse tijdperk waarin centraal staat het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezen beschikking 1977, die allebei zijn vervallen met inwerkingtreding Wet inzake de financiële betrekkingen met het buitenland op 1 mei 1981 (paragraaf 1.3.3); en
  3. Het ‘Wbc-tijdperk’, medio jaren ’80 van de vorige eeuw tot 1 juli 2016 (inwerkingtredingsdatum van de Erfgoedwet) waarin de Wbc het geldend recht behelsde (paragraaf 1.3.4).

1.3.2. Het vooroorlogse tijdperk

(37) De zorgen omtrent de bescherming van cultureel erfgoed zijn niet alleen van recente datum. Toch kenmerkt het vooroorlogse tijdperk, tot het einde van de Tweede Wereldoorlog, zich wat deze bescherming betreft met name door het gebrek aan wet- en regelgeving op dit gebied.

(38) Een eerste stap in de richting van verandering in denken wordt gezet wanneer Victor de Stuers in 1873 de noodklok luidt met zijn publicatie ‘Holland op zijn smalst’, waarin hij het gebrek van betrokkenheid van de Staat bij de bescherming van cultureel erfgoed en de gevolgen daarvan aan de kaak stelt. 114 Hij schrijft onder meer:

‘De oude kiem van moreele en intellectueele superioriteit leeft nog, maar zij is lang verstikt geweest, niet het minst door zorgeloosheid en door te uitsluitende bezorgdheid voor meer materieele belangen.

De regeering kan door doeltreffende maatregelen de impulsie geven tot een verjongd leven; de tegenwoordige Minister, die zich zelf een groot voorstander noemde van alles wat kunst en wetenschap betreft, heeft ons reeds reden gegeven om te vertrouwen, dat hij het zich tot een taak zal stellen het wandalisme te beteugelen en aan de kunst te geven wat haar toekomt. Mogen de Kamers, moge het geheele Nederlandsche volk tot dat streven medewerken.’

(39) De roep van De Stuers wordt gehoord: in de periode na 1873 groeit de overheidsaandacht voor de bescherming van cultureel erfgoed en het voorkomen van de uitvoer van kunstvoorwerpen van nationaal belang. 115 Een regeling met als onderwerp de bescherming van cultuurgoederen bestond in die tijd niet, maar wel de mogelijkheid om bij koninklijk besluit een beslissing van een decentrale overheid te schorsen en/of te vernietigen. 116 Een structurele overheidsregeling zal echter nog geruime tijd op zich laten wachten.

1.3.3. Het naoorlogse tijdperk

(40) Daar komt na de Tweede Wereldoorlog enige verandering in. Net als op zo vele andere gebieden, had de oorlog ook zijn weerslag op het cultureel erfgoed in Nederland. Gedurende de oorlog werden door roof en vernieling grote verliezen aan het kunstbezit toegebracht en de vrees voor verliezen bleef ook aan en na het einde van de oorlog bestaan. Men vreesde bijvoorbeeld voor verdere pogingen om onrechtmatig verkregen kunstobjecten naar het buitenland te sluizen. Bovendien was de economie in Nederland aan het einde van de oorlog wankel: de deviezenpositie van Nederland was krap, de belastingen waren hoog. Deze omstandigheden deden kunstobjecten tot een geliefd beleggingsobject groeien, waarmee bovendien tijdens de oorlog verkregen winsten konden worden gecamoufleerd of strenge regels die aan het internationaal geldverkeer worden gesteld, konden worden ontdoken. 117 De behoefte aan een overheidsregeling over de uitvoer van cultuurgoederen groeide daarom sterk.

(41) Het was tegen deze – met name economische – achtergrond dat het Deviezenbesluit 1945 tot stand kwam, waarin onder meer een regeling over de in- en uitvoer van kunstschatten werd opgenomen. 118 In het Deviezenbesluit werd geregeld dat de in- en uitvoer van kunstvoorwerpen uitsluitend was toegestaan nadat – kort gezegd – daarvoor een vergunning was afgegeven. Deze regeling is later gespecificeerd in de op het Deviezenbesluit 1945 gebaseerde Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977. 119 In de Deviezenbeschikking werd geregeld dat de vergunning uitsluitend nodig was voor de uitvoer van schilderijen met een waarde van meer dan f 80.000,00 en van alle overige kunstschatten met een waarde van meer dan f 20.000,00.

(42) Werd een aanvraag tot uitvoer gedaan, dan werd onder meer door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (‘OK&W’) bij het Adviesbureau In- en Uitvoer Voorwerpen van Geschiedenis en Kunst van de Stichting voor den Kunsthandel een ‘rijksdeskundige’ aangewezen. Deze rijksdeskundige diende binnen een periode van zestien dagen, na overleg met directies van musea en bibliotheken, vast te stellen of het kunstvoorwerp van nationaal cultureel belang was. Indien dat het geval was, diende de deskundige in die periode te proberen het voorwerp voor Nederland te behouden – dat wil zeggen: het in Nederland te koop aan te bieden. Was er geen koper te vinden, dan werd de vergunning alsnog verleend. De taken van de deskundige werden later toebedeeld aan de Rijksinspecteur voor roerende monumenten. 120

(43) Hoewel de uitvoer van een aantal cultuurgoederen, nadat als gevolg van het Deviezenbesluit contact met de overheid werd opgenomen over de vermeende uitvoer, kon worden voorkomen, bleek het Deviezenbesluit al spoedig voor verbetering vatbaar. 121 122 De controle op de naleving van de regeling bleek moeilijk. Bovendien groeide met de verbetering van de deviezenpositie van Nederland de overtuiging dat een regeling over de uitvoer van cultuurvoortbrengselen niet in een – op financiële waarde gebaseerde – deviezenregeling opgenomen diende te zijn, maar in een eigen wettelijke regeling vervat moest worden. 123

(44) De weg naar een eigen regeling over cultuurgoederen bleek echter lang. In 1956 werd door de minister van OK&W een commissie ingesteld onder voorzitterschap van jhr. D.C. Roëll, de toenmalige hoofddirecteur van het Rijksmuseum. Bij het rapport dat de commissie-Roëll in 1958 uitbracht, was een voorontwerp van wet gevoegd, waarin een systeem werd voorgesteld van ‘algemeen toezicht vooraf, met de mogelijkheid van weigering van een uitvoervergunning en controle daarop door de douane’. 124 Het ontwerp stuitte op bezwaren, met name vanwege het ontbreken van praktische uitvoerbaarheid ervan. Het kwam uiteindelijk niet tot een wetsvoorstel.

(45) In 1973 werd er een nieuw rapport uitgebracht, ditmaal door de commissie-Langelaan. Deze commissie was in 1969 door minister Klompé ingesteld, onder het voorzitterschap van D.F.W. Langelaan, de toenmalige voorzitter van de Vereniging Rembrandt. Dit rapport leek hetzelfde lot te treffen als het eerdere rapport van de commissie-Roëll.

(46) Volgens de ‘Proeve van een wet tot behoud van cultuurbezit’, in welke vorm de commissie-Langelaar haar rapport uitbracht, zou de vergunningsmethodiek worden losgelaten en zou er een lijst komen van beschermde voorwerpen van kunst en wetenschap. Aan de eigenaar van een beschermd voorwerp zou een beschermingscertificaat worden verstrekt, dat het kunstvoorwerp altijd diende te vergezellen. Voor uitvoer van een beschermd kunstvoorwerp was ontheffing van de minister nodig, die door de minister niet kon worden geweigerd indien de aanvrager kon aantonen dat de uitvoer vanwege zijn persoonlijk of zakelijk belang nodig was. Die noodzaak werd dan in ieder geval geacht te ontbreken indien binnen drie maanden bleek dat de Staat of een derde, binnen Nederland, bereid was het kunstvoorwerp voor een redelijke prijs te kopen. De commissie-Langelaan vulde – hoewel niet unaniem – het advies een jaar later aan met aanvullende voorstellen, die zagen op het toevoegen van een bepaalde lijst met kunstvoorwerpen van zulk uitzonderlijk belang dat daarvoor een absoluut uitvoerverbod zou gelden. 125 Ook dit rapport stuitte op de nodige bezwaren, met name vanwege het feit dat toenemende liberalisering van de markt controle op uitvoer nauwelijks toeliet en een verbod op uitvoer daarom weinig effectief werd geacht.

(47) De wens om tot een eigen wettelijke regeling omtrent de bescherming van cultuurbezit te komen, verdween echter niet. Het komen tot een regeling werd zelfs meer dringend noodzakelijk: met de inwerkingtreding van de Wet inzake de Financiële Betrekkingen met het Buitenland op 1 mei 1981, zouden het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977 – en daarmee de daarin opgenomen enige regeling tot beperking van de uitvoer van cultuurbezit die Nederland destijds kende – komen te vervallen. Ook werd in januari 1971 de grenscontrole tussen de Benelux-landen afgeschaft, als gevolg waarvan tussen de Benelux-landen overleg plaatsvond over de bescherming van onwettige uitvoer van cultuurgoederen. Daarbij werd aangedrongen op de invoering van een wettelijke regeling in Nederland. Bovendien was door Nederland in de Unesco-vergadering van november 1970 een conventie aanvaard inzake de in- en uitvoer en eigendomsoverdracht van cultuurvoortbrengselen. Als gevolg hiervan was Nederland verplicht maatregelen te treffen ter bescherming van het eigen cultuurbezit. 126

1.3.4. Het ‘Wbc-tijdperk’

(48) Het kwam in april 1981 dan ook tot een wetsvoorstel dat uiteindelijk in 1985 in werking is getreden als de Wbc. 127 Nadat in 1999 een evaluatie van de Wbc plaatsvond door de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit (de ‘Evaluatiecommissie’), is de Wbc in 2002 op een aantal gebieden nog aangepast.

(49) Hoewel het rapport van de commissie-Langelaan destijds op bezwaren stuitte, heeft het ‘lijstenstelsel’ als voorgesteld door die commissie uiteindelijk de basis gevormd voor het beschermingsstelsel in de Wbc en – sinds de integratie van de Wbc in de Erfgoedwet – voor de aanwijzingsregeling in de Erfgoedwet. Gelet op de overeenkomsten die de Wbc en de Erfgoedwet dankzij deze integratie hebben, en de beschrijving van de Erfgoedwet die reeds in dit hoofdstuk is gegeven, volstaat de commissie in deze paragraaf met een beschrijving van de belangrijkste verschillen tussen de Wbc en de Erfgoedwet en de achtergrond daarvan. Het gaat daarbij om de hierna genoemde belangrijkste verschillen. Overigens is de terminologie in de Erfgoedwet ten opzichte van de Wbc enigszins aangepast. In de Wbc werd een cultuurgoed bijvoorbeeld aangeduid als een voorwerp. Deze onderscheidenlijke terminologie houdt de commissie hierna ook aan, bij de bespreking van de belangrijkste verschillen tussen beide wetten:

  1. Advies van de Raad voor Cultuur over een voorgenomen (wijziging of intrekking van een) aanwijzing: anders dan onder de Wbc, hoeft de minister sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet niet langer de Raad voor Cultuur advies te vragen over een voorgenomen aanwijzing van een cultuurgoed, of de wijziging of intrekking van die aanwijzing. Sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet kan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voorstellen doen en ligt de adviesfunctie van de Raad voor Cultuur, zo volgt uit de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet, meer op het strategische vlak. 128
  2. Onder de Wbc niet enkel de ‘ambtshalve’ bevoegdheid tot aanwijzing van een voorwerp: anders dan onder de Wbc, heeft de minister in de Erfgoedwet de ‘ambtshalve’ bevoegdheid tot aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als beschermd. Voor een bespreking van de beperking tot ‘ambtshalve’ aanwijzing in de Erfgoedwet en het verschil met de Wbc, verwijst de commissie naar paragraaf 1.4.4 van dit advies.
  3. Een eerste aanbod tot koop: onder de Wbc werd een aanbod tot koop van een beschermd voorwerp dat voor Nederland dreigde te verdwijnen, als eerste gedaan door de Staat. Daar is met de Erfgoedwet verandering in gekomen. De wetgever heeft er onder de Erfgoedwet voor gekozen eerst ruimte te laten voor ‘particulier initiatief’, in die zin dat eerst wordt onderzocht of anderen dan de Staat bereid zijn het beschermde cultuurgoed dat uit Nederland dreigt te verdwijnen, aan te kopen. 129 Daarmee heeft de wetgever de mogelijkheden om deze goederen voor Nederland te behouden, willen uitbreiden. 130 Voor een beschrijving van het aanbod tot koop door particuliere kopers, verwijst de commissie naar paragraaf 1.2.3 van dit advies.
  4. Bescherming van emsembles: nieuw sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet is dat ook ensembles als beschermd kunnen worden aangewezen, bestaande uit een rijksmonument tezamen met cultuurgoederen. Deze vorm van bescherming kende de Wbc niet. Voor een beschrijving van de aanwijzing van beschermde ensembles, verwijst de commissie naar paragraaf 1.2.3 (D) van dit advies.

1.4. Een aantal elementen van de aanwijzingsregeling onder de Erfgoedwet uitgelicht

1.4.1. Introductie

(50) In deze paragraaf licht de commissie een aantal aspecten van de aanwijzingsregeling uit. Voor een goed begrip van deze regeling en de toepassing daarvan in de praktijk, acht de commissie het namelijk noodzakelijk om bij de hierna aan de orde te komen onderdelen langer stil te staan. Het gaat om de onderdelen:

  1. Het begrip ‘particulier bezit’ en het gegeven dat de Erfgoedwet naar dit soort bezit geen expliciete verwijzing maakt (paragraaf 1.4.2);
  2. Het karakter van de aanwijzingsbevoegdheid en het aanwijzingsbesluit (paragraaf 1.4.3);
  3. De inzet van de aanwijzingsbevoegdheid en het ministeriële beleid hieromtrent (paragraaf 1.4.4);
  4. De Erfgoedwet heeft geen toepasselijkheid op niet aangewezen cultuurgoederen die zich inmiddels in het buitenland bevinden en binnen de Europese Unie geldt het recht op vrij verkeer van goederen (paragraaf 1.4.5);
  5. De criteria tot aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als beschermwaardig (paragraaf 1.4.6);
  6. De lijst van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen (paragraaf 1.4.7); en
  7. Financiële aspecten inzake de aanwijzingsregeling (paragraaf 1.4.8).

(51) Hierna wordt elk van deze onderdelen door de commissie verder toegelicht.

1.4.2. Het begrip ‘particulier bezit’ en het gegeven dat de Erfgoedwet naar dit soort bezit geen expliciete verwijzing maakt

(A) Introductie

(52) In deze bijlage heeft de commissie reeds geconstateerd dat strikt genomen de Erfgoedwet de aanwijzingsregeling niet beperkt tot het particuliere bezit. Desalniettemin wordt aangenomen dat die regeling primair van toepassing is op cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles in particulier bezit. 131

(B) De reikwijdte van de aanwijzingsregeling

(53) Dat de aanwijzingsregeling de facto is bestemd voor ‘particulier bezit’ kan ten eerste worden opgemaakt uit de meest recente parlementaire geschiedenis van de Erfgoedwet. De regeling tot aanwijzing van cultuurgoederen wordt in de memorie van toelichting van de Erfgoedwet namelijk toegelicht onder het kopje ‘4.2 Cultuurgoederen in privaat bezit’, te onderscheiden van bijvoorbeeld het kopje ‘4.3 Cultuurgoederen in bezit van overheden’. 132 133 Op vragen van de Tweede Kamer antwoordt de minister dat ‘[c]ollecties in publiek bezit (…) niet als beschermd [zijn] aangewezen. Het register richt zich louter op objecten in particulier bezit.’ 134 Anders dan in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet, spreekt overigens de parlementaire geschiedenis van de oude Wbc minder nadrukkelijk van privaat of particulier bezit. Daarin komt wel nadrukkelijk naar voren dat ‘[o]verheidsbezit (…) bij voorkeur niet op de lijst [zal] worden geplaatst.’ 135 De Eerste Kamer en de minister hebben ten tijde van de parlementaire behandeling van de Wbc overigens wel nog kort gediscussieerd over de vraag of de Wbc-regeling niet beter uitsluitend van toepassing zou moeten zijn op voorwerpen die in eigendom zijn van rechtspersonen en niet tevens van privépersonen. De destijds verantwoordelijke minister heeft een dergelijke beperking van het wetsvoorstel echter niet wenselijk geacht. 136 Uit deze toelichtingen leidt de commissie af dat de aanwijzingsregeling slechts is bedoeld voor cultuurgoederen die bij anderen dan de overheid in bezit zijn, zij het dat aanwijzing van overheidsbezit niet geheel is uitgesloten.

(54) Ten tweede blijkt uit beantwoording van recente Kamervragen dat de minister van OCW ook nu nog de aanwijzingsregeling bestemd acht voor (primair) cultuurgoederen in particulier bezit: ‘De Erfgoedwet bevat een kader ter bescherming van bijzondere cultuurgoederen in particulier bezit.’ 137

(55) Kortom, hoewel de Erfgoedwet de aanwijzingsregeling niet nadrukkelijk (uitsluitend) van toepassing acht op cultuurgoederen in ‘particulier bezit’ is het wel telkens de bedoeling van de wetgever geweest om deze regeling te beperken tot cultuurgoederen (en verzamelingen en ensembles) in particulier bezit, althans in niet-overheidsbezit. De begrippen ‘particulier bezit’, ‘privaat bezit’ en de tegenovergestelde begrippen van ‘overheidsbezit’ en ‘publiek bezit’ zijn echter verder niet door de wetgever geduid. Hierdoor kan verwarring ontstaan over de vraag wat wordt bedoeld met ‘privaat’ versus ‘publiek’. Illustratief is de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet. In de memorie van toelichting schaart de wetgever ‘professionele beheerders zoals musea’ onder de noemer ‘particulier’. 138 Echter, in antwoord op vragen van de Tweede Kamer over verzamelingen van musea, schrijft de minister dat ‘collecties in publiek bezit (…) niet als beschermd [zijn] aangewezen. Het register richt zich louter op objecten in particulier bezit. De regels over beschermde verzamelingen zijn dus in beginsel niet van toepassing op musea.’ 139 De ene keer worden musea dus als particulier geduid, de andere keer als publiek. Verder schrijft bijvoorbeeld de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed in haar Toezichtskader, pagina 8 dat ‘het privaat eigendom (…) kan berusten bij kerken, kloosters, stichtingen en natuurlijke personen.’

(C) Definiëring van het begrip ‘particulier bezit’ door de commissie en de aanwijzingsregeling als vangnet van de Erfgoedwet

(56) Gelet op het voorgaande acht de commissie het voor een goed begrip van haar advies nodig in dit advies expliciet te benoemen wat zij verstaat onder het begrip ‘particulier bezit’. Zij neemt in dit advies aan dat met particulier bezit telkens is bedoeld cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles die in eigendom zijn van privépersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen. Met andere woorden, alle andere denkbare personen dan de Staat, een provincie, een gemeente of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon kunnen cultuurgoederen ‘in particulier bezit’ (eigendom) hebben. Voor cultuurgoederen in eigendom van deze laatstgenoemde categorie geldt immers een andere, bijzondere regeling tot bescherming ervan. In zoverre kan de aanwijzingsregeling volgens de commissie als een cruciale regeling van de Erfgoedwet worden beschouwd.

(57) Het is volgens de commissie overigens belangrijk in ogenschouw te nemen dat er verschillen tussen deze soorten overige eigenaren in het particuliere domein (kunnen) bestaan, bijvoorbeeld een stichting die een collectie van een museum ondersteunt versus een privépersoon.

1.4.3. Het karakter van de aanwijzingsbevoegdheid en het aanwijzingsbesluit

(58) Onder de Erfgoedwet kan de aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als beschermwaardig, net als een wijziging of intrekking van zo’n aanwijzing, uitsluitend door de minister van OCW worden genomen. 140 141 Een dergelijke beslissing wordt in een besluit vervat. 142 Dit besluit is bestuursrechtelijk appellabel. Dit betekent dat belanghebbenden – zoals in ieder geval de eigenaar van het beschermde cultuurgoed, verzameling of ensemble – tegen het besluit bezwaar kunnen maken bij de minister van OCW en daarna zo nodig in beroep kunnen gaan bij de bestuursrechter. 143 144

(59) De bevoegdheid van de minister om een cultuurgoed aan te wijzen, is in de Erfgoedwet gekarakteriseerd als ‘ambtshalve’. Deze ambtshalve bevoegdheid ten aanzien van cultuurgoederen, verzamelingen en ensembles is nieuw sinds de inwerkingtreding van de Erfgoedwet. De Wbc kende deze toevoeging namelijk nog niet, maar de Monumentenwet 1988 sinds 2011 al wel voor de soortgelijke aanwijzing van roerende zaken als rijksmonumenten. 145 146 Dat de aanwijzing louter nog ambtshalve kan geschieden, betekent dat er geen aanvragen tot (intrekking of wijziging van) een aanwijzing kunnen worden gedaan, althans dat de minister niet op een dergelijke aanvraag formeel hoeft te beslissen en er zo geen bestuursrechtelijke rechtsingang ontstaat om over de al dan niet af- of toewijzing van die aanvraag tot aanwijzing van een cultuurgoed te procederen. 147 Hoewel de Wbc hiertoe geen nadrukkelijke bepaling kende, was het onder de Wbc nog wel mogelijk om bij de minister een formeel verzoek tot het aanwijzen van een cultuurgoed als beschermd in te dienen. 148 Daarop had de minister van OCW dan een bestuursrechtelijk appellabel (afwijzings)besluit te nemen. Zo kon ook worden verzocht tot intrekking van een aanwijzing, waarop de minister dan een bestuursrechtelijk appellabel besluit had te nemen. 149 Door de aanwijzingsbevoegdheid in de Erfgoedwet te beperken tot een ambtshalve bevoegdheid (alsook de bevoegdheid tot intrekking of wijziging van de aanwijzing), is deze verplichting voor de minister dus komen te vervallen. Daarmee is beoogd de administratieve lasten voor de minister te beperken. 150 Wel blijft gelden dat als een suggestie van een ieder tot het aanwijzen van een cultuurgoed als beschermd wordt gedaan, de minister hierop gemotiveerd heeft te reageren. 151 Als wordt gevreesd dat een niet-beschermd cultuurgoed voor Nederland dreigt verloren te gaan, kan dit net zo goed altijd bij de minister worden gemeld, zo licht de wetgever in de parlementaire behandeling van de Erfgoedwet dan ook toe. ‘Zo nodig kan de Minister overwegen op grond van artikel 3.7 van het wetsvoorstel over te gaan tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed.’ 152

1.4.4. De inzet van de aanwijzingsbevoegdheid en het ministeriële beleid hieromtrent

(60) De Erfgoedwet laat de minister ruimte om naar eigen beoordeling al dan niet van de aanwijzingsbevoegdheid gebruik te maken. De aanwijzingscriteria, waarover hierna in paragraaf 1.4.6 van deze bijlage meer, bieden de minister daartoe een kader. En bovendien gaat het om een ‘kan’-bepaling. Dat biedt de minister de ruimte om zelfs al zouden de criteria hebben te leiden tot aanwijzing van een cultuurgoed, dit alsnog achterwege te laten.

(61) Uit de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet wordt reeds duidelijk dat er sprake is van ‘een terughoudend aanwijzingsbeleid.’ 153 Als reden voor deze terughoudendheid noemt de wetgever dat immers uiteindelijk de Staat ultimo een aankoop zal moeten doen als bij de eigenaar de wens bestaat een beschermd cultuurgoed te vervreemden als gevolg waarvan het cultuurgoed uit Nederland zou verdwijnen. De middelen in het daarvoor beschikbare aankoopfonds zijn beperkt, aldus de wetgever. ‘Het beleid is daarom meer gericht op het vergroten van de toegankelijkheid van de huidige rijkscollectie dan op uitbreiding daarvan.’ 154

(62) Op een later moment in de parlementaire behandeling wordt het ‘terughoudend aanwijzingsbeleid’ scherper neergezet door de minister, namelijk in antwoord op Kamervragen. Dat antwoord luidt namelijk dat ‘[h]et wetsvoorstel [erin] voorziet (…) dat de Minister van OCW in noodgevallen een belangrijk cultuurgoed dat onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit, kan aanwijzen als beschermd cultuurbezit. Als een beschermd cultuurbezit naar het buitenland dreigt te verdwijnen, kan de Minister van OCW daartegen bedenkingen aanvoeren.’ 155 Naar de interpretatie van de commissie is de inzet van de aanwijzingsbevoegdheid bij (louter) ‘noodgevallen’ een nog terughoudender gebruik van de bevoegdheid dan de wetgever in de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet heeft geformuleerd.

(63) Wellicht dat dit hiervoor geciteerde antwoord reeds kon worden beschouwd als een opmaat naar het later bekendgemaakte ministeriële beleid inzake de aanwijzingsbevoegdheid. Dit beleid is neergelegd in de ‘Beleidsregel aanwijzing beschermde cultuurgoederen 2016’. 156 Deze Beleidsregel heeft de commissie al kort aangestipt in randnummer (13) van deze bijlage. Blijkens dit beleid wijst de minister een cultuurgoed of verzameling louter als beschermd aan ‘in een spoedeisend geval’. In de bijbehorende toelichting wordt vermeld dat het terughoudende beleid dat reeds onder de Wbc bestond, nu wordt vastgelegd. Er is volgens de minister niet sprake van een ‘koerswijziging, maar voortzetting van de praktijk.’

(64) In de toelichting behorende bij de Beleidsregel wordt een aantal ‘overwegingen’ genoemd dat aan de terughoudendheid van de inzet van de aanwijzingsbevoegdheid ten grondslag ligt. Deze overwegingen zijn kort en goed de volgende:

  1. De Collectie Nederland is al een goede kerncollectie. ‘Er is geen noodzaak voor nieuwe aanwijzingen door de minister.’ Daarbij noemt de minister de omstandigheid dat professionele verzamelaars reeds actief zijn in het verwerven van cultuurgoederen, zodat de overheid ‘verder kan terugtreden’.
  2. Een sterk acterende overheid kan volgens de minister het proces om de geefcultuur in Nederland te stimuleren, belemmeren. ‘De overheid wil juist ruimte geven aan burgerparticipatie en particulier initiatief bij het behouden en beschermen van cultureel erfgoed.’
  3. De prioriteit ligt bij het toegankelijk maken van de reeds bestaande rijkscollectie en niet bij het vergroten ervan.
  4. Het onderhavige beleid betreft geen koerswijziging; reeds onder de Wbc was het aanwijzingsbeleid reactiever geworden.

(65) Het terughoudend aanwijzingsbeleid wordt in de Beleidsregel dus uitgelegd als dat hij ‘feitelijk alleen aanwijst in spoedeisende gevallen, waaronder in elk geval wordt verstaan de situatie dat een belangrijk Nederlands cultuurgoed of een belangrijke verzameling op het punt staat om naar het buitenland te worden uitgevoerd.’ De minister licht toe dat ‘tijdelijke uitvoer ten behoeve van een buitenlandse tentoonstelling waarover afspraken zijn gemaakt tussen bruikleengever en bruikleennemer’ hieronder niet valt.

(66) Het in beleid neergelegde terughoudend aanwijzingsbeleid wordt in de praktijk zo mogelijk nog stringenter toegepast, althans zo begrijpt de commissie de combinatie van de volgende vraag van een Tweede Kamerlid en het daarop gegeven antwoord van de minister:

  • Vraag: ‘Hebt u overwogen de bedoelde tekening [van Rubens, toev. commissie] alsnog op te nemen in het register van beschermde cultuurgoederen en verzamelingen? Zo ja, wat is de reden dat de tekening niet is opgenomen? Zo nee, waarom niet?’
  • Antwoord: ‘Nee. Op dit moment geldt een terughoudend aanwijzingsbeleid.’ 157

(67) In de Beleidsregel komt niet nadrukkelijk als overweging terug dat de terughoudendheid van het aanwijzingsbeleid ook de rechten van de eigenaar als reden kan hebben. Een eigendomsrecht is het meest verstrekkende denkbare recht, dat in beginsel dient te worden gerespecteerd tenzij het echt nodig is op dat recht een inbreuk te maken.

(68) Hoe dan ook, de commissie stelt vast dat de wetgever een terughoudend aanwijzingsbeleid voor ogen heeft gezien bij de invoering van de Erfgoedwet en dat de uitvoerende minister deze terughoudendheid inderdaad in de praktijk betracht. Eenzelfde lijn bestaat nadrukkelijk ook voor verzamelingen.

1.4.5. De Erfgoedwet heeft geen toepasselijkheid op niet aangewezen cultuurgoederen die zich inmiddels in het buitenland bevinden en binnen de Europese Unie geldt het recht op vrij verkeer van goederen.

(69) Hierna in randnummer (83) komt nog aan de orde dat het aanwijzingscriterium ‘Nederlands cultuurbezit’ door de wetgever wordt uitgelegd als dat de aanwijzingsregeling uitsluitend van toepassing kan zijn op cultuurgoederen die zich in Nederland bevinden. Op vragen van de Tweede Kamer heeft de minister een soortgelijke reactie gegeven, namelijk dat ‘[i]n op een later moment terughalen naar Nederland van cultuurgoederen die rechtmatig zijn uitgevoerd, is niet voorzien.’ 158 Uit deze uitlatingen leidt de commissie af dat volgens de minister de Erfgoedwet niet van toepassing is op cultuurgoederen die zich buiten Nederland bevinden.

(70) De commissie acht dit een belangrijke vaststelling, mede omdat binnen de Europese Unie het recht op vrij verkeer van goederen bestaat. Dit betekent dat een mogelijk belangwekkend, maar (nog) niet aangewezen cultuurgoed op eenvoudige en snelle wijze buiten Nederland kan worden gebracht en het wettelijke beschermingsregime van de aanwijzingsregeling dan niet langer kan worden ingeroepen.

1.4.6. De criteria tot aanwijzing van een cultuurgoed, verzameling of ensemble als beschermwaardig

(A) Introductie

(71) De Erfgoedwet kent vijf criteria op basis waarvan een cultuurgoed, een verzameling of ensemble door de minister van OCW als beschermd cultuurgoed kan worden aangewezen. Deze criteria noemt de commissie in het vervolg van dit advies de ‘aanwijzingscriteria’.

(72) Deze criteria luiden als volgt:

  1. het cultuurgoed is van bijzondere cultuurhistorische betekenis; óf
  2. het cultuurgoed is van bijzonder wetenschappelijke betekenis; óf
  3. het cultuurgoed is van uitzonderlijke schoonheid; én
  4. het cultuurgoed dient als onvervangbaar voor het Nederlands cultuurbezit te worden beschouwd; én
  5. het cultuurgoed dient als onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit te worden beschouwd.

(73) Het betreffende cultuurgoed dient dus in ieder geval onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit te zijn en moet daarnaast een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis hebben of van uitzonderlijke schoonheid zijn. Ook andere ‘meer concrete factoren’ kunnen volgens de Wbc-wetgever een rol spelen, namelijk ‘de staat waarin het voorwerp zich bevindt, de mogelijkheid om het – zonder al te grote kosten – te behouden, de mogelijkheid om het zonder gevaar voor achteruitgang aan het publiek te tonen.’ 159

(74) In deze paragraaf onderzoekt de commissie in hoeverre de aanwijzingscriteria verder te duiden zijn. Wat wordt er meer precies door de wetgever en de uitvoerende minister bedoeld met deze aanwijzingscriteria? Daarvoor is niet alleen bestudering van de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet nuttig, maar met name die van de oude Wbc. De aanwijzingscriteria golden namelijk ook al onder deze oude wetgeving. In de memorie van toelichting behorende bij die wet worden deze criteria samengevat geduid als dat het gaat om die ‘voorwerpen’ (de Wbc sprak van voorwerpen in plaats van cultuurgoederen) ‘waarvan de aanwezigheid hier te lande onmisbaar wordt geacht voor allen die zich hier een beeld van Nederlands cultureel erfgoed willen vormen.’ 160 De Erfgoedwetgever merkt op dat er geen (inhoudelijke) wijziging met de aloude criteria is beoogd; in de memorie van () toelichting behorende bij de Erfgoedwet wordt in zoverre dan ook slechts summier op de aanwijzingscriteria ingegaan. Dit is overigens anders voor de regeling tot bescherming van cultuurgoederen die in eigendom zijn van de Staat, een provincie, een gemeente of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon. Over de toepassing van de aanwijzingscriteria op deze (in de Erfgoedwet nieuwe) regeling is wel inhoudelijke discussie gevoerd. Echter niet zozeer over de betekenis van de criteria als meer over de vraag of er niet stringentere criteria voor cultuurgoederen in publiek bezit zouden moeten gelden en in het bijzonder over de vraag of met de criteria voldoende aandacht bestaat voor het eventueel belangrijke lokaal of regionaal belang van een cultuurgoed. 161

(75) Overigens komen de aanwijzingscriteria in belangrijke mate overeen met de criteria die gelden voor aanwijzing van een onroerende zaak als rijksmonument. 162 Van deze criteria die gelden voor onroerende zaken, merkt de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet op dat deze ‘voldoende algemeen [zijn] om vernieuwingen in het denken over de waardering van cultureel erfgoed in het aanwijzingsbeleid niet in te perken.’ 163 Vervolgens wordt een aantal voorbeelden van rijksmonumenten opgesomd waaruit zou blijken dat dergelijke vernieuwingen binnen de criteria tot aanwijzing als rijksmonument passen. De commissie meent dat een soortgelijke uitleg ook kan gelden voor de aanwijzingscriteria met betrekking tot cultuurgoederen en verzamelingen.

(76) Hierna gaat de commissie eerst op het open karakter van de aanwijzingscriteria als zodanig in (onder (B)) en daarna op elk van de aanwijzingscriteria (onder (C) tot en met (E)).

(B) De aanwijzingscriteria zijn open normen

(77) In deze bijlage stipte de commissie al kort aan dat de aanwijzingscriteria open normen zijn, die de minister een discretionaire ruimte laten om een cultuurgoed al dan niet als beschermd aan te wijzen. De wetsgeschiedenis van de Wbc toont aan dat de wetgever welbewust voor dit open karakter heeft gekozen: ‘Evenmin als in de Monumentenwet, wordt hier [met de aanwijzingscriteria, toev. commissie] een nauwkeuriger maatstaf voor de samenstelling van de lijst gegeven, omdat culturele waarde nu eenmaal niet te meten is.’ 164 Uit het vervolg van deze parlementaire uitleg blijkt evengoed tevens dat de vraag of een cultuurgoed aan de aanwijzingscriteria voldoet, hoofdzakelijk aan deskundigen wordt overgelaten, die als het ware de discretionaire ruimte die de minister toekomt invullen: ‘De belangrijkste waarborg voor een verantwoorde samenstelling zal liggen in de deskundigheid en de zorgvuldigheid van de leden der commissie, in hun onderlinge gedachtewisseling en in het streven de lijst beperkt te houden.’ 165 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dan ook dat de criteria zoals die anno nu ook nog gelden, in samenspraak met experts zijn gekozen: ‘Al is het niet mogelijk in de wet een nauwkeuriger maatstaf te bepalen, wel kunnen verschillende aspecten worden genoemd die de Commissie en de minister in aanmerking zullen moeten nemen. Met een aantal deskundigen op verschillende terreinen van cultuur is uitvoerig van gedachten gewisseld over deze hierna te noemen aspecten.’ 166 Deze opdracht aan een deskundigencommissie komt mede voort vanuit de gedachte dat het niet tot de overheidstaak behoort om ‘voortbrengselen van onze hedendaagse samenleving tot cultuurgoederen te bestempelen.’ Die taak is ‘eerder voorwaarden scheppend en beschermend.’ 167

(C) De criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’

(78) Zoals de commissie al eerder opmerkt in dit advies, zijn de criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ op wetsniveau in enige mate verder uitgewerkt, in tegenstelling tot de overige criteria.

(79) Er is sprake van een onvervangbaar cultuurgoed als er geen ander, nagenoeg geen ander of soortgelijk cultuurgoed in Nederland aanwezig is, dat in goede staat verkeert. 168

(80) Met ‘onmisbaar’ wordt blijkens de Erfgoedwet bedoeld dat het cultuurgoed in kwestie een ‘symboolfunctie’, ‘schakelfunctie’ of ‘ijkfunctie’ heeft. Deze functies zijn verder niet in de Erfgoedwet gedefinieerd. Dit was anders in de Wbc, waarin de functies wel waren voorzien van een definitie. 169 Onder de Erfgoedwet biedt de memorie van toelichting behorende bij de Erfgoedwet enig inzicht in de betekenis van de drie functies, die overigens overeenkomt met de oude tekst van de Wbc: 170

‘Onmisbaar is een cultuurgoed dat een symboolfunctie, schakelfunctie of ijkfunctie heeft. Ten minste een van die functies moet aanwezig zijn, wil het cultuurgoed voldoen aan het criterium ‘onmisbaar’. Daarbij wordt onder symboolfunctie verstaan de functie van een cultuurgoed als duidelijke herinnering aan personen of gebeurtenissen die voor de Nederlandse geschiedenis van overtuigend belang zijn. Met schakelfunctie wordt gedoeld op de functie van een cultuurgoed als wezenlijk element in een ontwikkeling die voor de wetenschapsbeoefening, met inbegrip van de beoefening van de cultuurgeschiedenis, in Nederland van overtuigend belang is. De ijkfunctie ten slotte is de functie van een cultuurgoed als wezenlijke bijdrage in het onderzoek of de kennis van andere belangrijke cultuurgoederen.’ 171

(81) De Wbc-wetgever duidt de criteria ‘onvervangbaar’ en ‘onmisbaar’ aan als ‘richtlijnen.’ Of een cultuurgoed onvervangbaar en onmisbaar is, wordt ‘mede bepaald door de plaats die een voorwerp of een verzameling in de loop der historie in onze samenleving heeft ingenomen.’ Zo zal voorwerp dat altijd op een voor publiek toegankelijke locatie te bezichtigen is geweest ‘dikwijls van grotere betekenis zijn’ dan een voorwerp dat ‘altijd bij particulieren thuis, of tot voor kort in het buitenland heeft verbleven.’ 172

(D) Het criterium ‘Nederlands cultuurbezit’

(82) De verwijzing naar het ‘Nederlands cultuurbezit’ wordt in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet uitgelegd als dat een cultuurgoed alleen als beschermd kan worden aangewezen indien zich dat in Nederland bevindt. ‘Cultuurgoederen die aan de criteria voldoen, maar zich in het buitenland in particulier bezit bevinden, worden niet aangewezen. Zij behoren immers niet (meer) tot het in Nederland aanwezige cultuurbezit.’ 173 Verder noemt de minister als reden dat de aanwijzing van een cultuurgoed dat zich in het buitenland bevindt ‘geen functie [zou] hebben omdat deze Nederlandse wetgeving geen rechtskracht heeft in het buitenland.’ 174 Als een dergelijk cultuurgoed uit het buitenland in Nederland terecht zou komen, is bovendien de eerste vijf jaar toestemming van de eigenaar nodig. 175 ‘Deze bepaling heeft als achtergrond de handel in kunst niet te veel te belemmeren.’ 176

(83) Het criterium ‘Nederlands cultuurbezit’ had onder de Wbc een bredere betekenis, aldus de wetsgeschiedenis ervan. Dit criterium is volgens de Wbc-wetgever een centraal begrip van de Wbc. Het zo duidelijk mogelijk duiden van dit begrip is echter niet goed mogelijk en ook niet verstandig, zo stelt de Wbc-wetgever. ‘Het begrip cultuur wordt immers op zeer verschillend en uiteenlopende manieren omschreven. In feite is dit begrip nog steeds onderwerp van discussie voor historici, antropologen, sociologen, filosofen, etc. Vandaar dat in het wetsontwerp en de memorie van toelichting is gekozen voor een open formulering, waardoor deze discussie niet bevroren wordt.’ 177 Om deze reden benoemt de Wbc-wetgever dat het begrip ‘cultuur’ in ruime zin moet worden opgevat. 178 De Wbc-wetgever licht toe dat het begrip ‘cultuur’ ‘niet statisch’ is, maar iets ‘dat verandert en groeit, zoals ook een gemeenschap van mensen verandert en groeit.’ 179 Het is niet de taak van de rijksoverheid het begrip ‘nationaal cultuurbezit’ – dat door de Wbc-wetgever als synoniem van Nederlands cultuurbezit wordt gebruikt – duidelijk en ondubbelzinnig te omschrijven. Mede ter voorkoming dat toekomstige generaties die omschrijving ‘te eenzijdig’ zouden vinden. 180 Al met al zal de samenstelling van de lijst met beschermde voorwerpen (cultuurgoederen) een steeds duidelijker gestalte geven aan het begrip Nederlands cultuurbezit, zo is de verwachting van de Wbc-wetgever.

(84) Het begrip ‘Nederlands’ (dan wel ‘nationaal’) kan volgens de Wbc-wetgever slechts ‘op één wijze (…) worden geïnterpreteerd.’ Echter, ‘tegelijkertijd [is dat begrip] zó veelomvattend (…), dat het gebruik van dat woord veelal plaatsvindt uit een beperkte gezichtshoek op dat begrip.’ 181


(E) De criteria ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ en ‘uitzonderlijke schoonheid’

(85) De criteria inzake ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ en ‘uitzonderlijke schoonheid’ krijgen eigenlijk geen tot nauwelijks aandacht in de parlementaire behandeling van (het voorstel inzake) de Erfgoedwet. De commissie verwijst daarom terug naar de wetsgeschiedenis behorende bij de Wbc. Daarbij zij opgemerkt dat de aanwijzingscriteria tot 1 juni 2002 niet in de Wbc stonden vermeld, maar in het onderliggende Besluit behoud cultuurbezit (‘Bbc’). 182 De hierbij behorende Nota van toelichting geeft verder evenmin duiding van de afzonderlijke aanwijzingscriteria.

(86) Het criterium ‘uitzonderlijke schoonheid’ kende de Bbc, en ook later de Wbc, niet. Dit criterium is nieuw met de Erfgoedwet door amendering van het oorspronkelijke wetsvoorstel. 183 Met ‘uitzonderlijke schoonheid’ is beoogd de esthetische waarde van een cultuurgoed als reden voor aanwijzing te kunnen gebruiken. 184 In het Wbc-tijdperk is meermalen discussie gevoerd over de vraag of als criterium zou moeten gelden de ‘artistieke kwaliteit’ van een voorwerp. Dit criterium is nimmer in de Wbc opgenomen, maar kent wel gelijkenissen met het huidige criterium ‘uitzonderlijke schoonheid’ dat dus staat voor de esthetiek. Opvattingen over deze artistieke kwaliteit kunnen in de loop der tijd verschuiven, aldus de Wbc-wetgever, ‘maar op de lange duur ontstaat dikwijls een algemene waardering.’ Overigens betekent dit niet dat een voorwerp van matige kwaliteit niet op de lijst kan worden geplaatst, zo benadrukt de Wbc-wetgever daarna. 185 De Evaluatiecommissie inzake de Wbc beval aan om de artistieke kwaliteit van een voorwerp als ‘complementair criterium’ toe te voegen aan de (huidige) functies die vallen onder het criterium ‘onmisbaar’. 186 Deze aanbeveling werd destijds echter ontraden door de Raad voor Cultuur en dit werd door de Wbc-wetgever overgenomen. Dit criterium zou volgens de Wbc-wetgever namelijk ‘niet goed werkbaar (…) zijn. Ik onderschrijf de opvatting van de Raad voor Cultuur dat het begrip ‘artistieke waarde’ een niet te objectiveren begrip is. Bovendien wordt met het begrip al voldoende rekening gehouden bij de toetsing aan de hand van de functies die thans al met het onmisbaarheidscriterium samenhangen, waarbij vooral kan worden gewezen op de ‘ijkfunctie’.’ 187

(87) De criteria ‘bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis’ golden al wel in het Wbc-tijdperk. Echter, net als in de wetsgeschiedenis van de Erfgoedwet is de toelichting op deze begrippen in de wetsbehandeling van de Wbc summier. Als voorbeeld van ‘wetenschappelijke betekenis’ wordt genoemd verzamelingen op het gebied van de natuurlijk historie ‘die in de hele wereld hun weerga niet hebben en die geheel tot de Nederlandse traditie behoren.’ 188 De betekenis in wetenschappelijke of cultuurhistorische zin kan zich door de tijd heen wijzigen. 189

1.4.7. Het register met beschermde cultuurgoederen en verzamelingen

(88) Zoals al genoemd in deze bijlage is een feitelijk gevolg van de aanwijzing van cultuurgoederen en verzamelingen als beschermwaardig, dat zij worden ingeschreven en vermeld in een ‘register beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen’.

(89) Een belangrijke reden om te kiezen voor een register waarin aangewezen cultuurgoederen worden vermeld, is volgens de (Wbc-)wetgever dat daarmee wordt voorkomen ‘onzekerheid over de vraag of een voorwerp onder de werking van de wet valt. Elke algemene omschrijving zou tot onzekerheid leiden.’ 190 Deze onzekerheid zou de internationale kunsthandel namelijk niet ten goede komen, aldus de wetgever. Bovendien kon met een lijstenstelsel (onder de Wbc heette het register nog een ‘lijst’) worden aangesloten bij de verplichtingen van Nederland onder het Unesco-verdrag 1970. Onder dat verdrag zijn staten namelijk verplicht om één of meer nationale diensten in te stellen ten behoeve van de bescherming van het cultureel erfgoed, om onder meer de volgende taak naar behoren te kunnen verrichten:

‘(…) het opstellen en bijhouden, op basis van een nationale inventarisatie van te beschermen goederen, van een lijst van belangrijke culturele goederen in openbaar of particulier bezit, waarvan de uitvoer een aanzienlijke verarming van het nationale culturele erfgoed zou betekenen.’

(90) Een andere belangrijke reden voor de (Wbc-)wetgever om te kiezen voor een lijstenstelsel, is geweest de verwachting van de wetgever dat met een dergelijk lijstenstelsel aangesloten kon worden bij de dynamiek van het begrip ‘nationale cultuur’. Het was de bedoeling van de wetgever dat de lijst een dynamische lijst zou zijn. 191

(91) Wanneer de Wbc in het jaar 2000 wordt geëvalueerd, en later wanneer de Wbc in 2016 in de Erfgoedwet wordt geïntegreerd, blijkt dat het concept van een lijstenstelsel functioneert, hoewel er telkens aandacht is gevraagd voor actualisatie van voorwerpen/cultuurgoederen die op die lijst staan vermeld (zie hierover verder paragraaf 3.6 van dit advies). 192

(92) Op de samenstelling van de lijst is dan ook nogal eens forse kritiek geuit, met name op de vermeende onevenwichtigheid ervan. Evenwichtigheid van cultuurgoederen die op de lijst staan vermeld worden door de Evaluatiecommissie Wbc, en later de Erfgoedwet-wetgever, daarentegen niet als een na te streven doel gezien. 193 De lijst wordt geacht een aanvulling te zijn op het cultuurbezit dat door de overheid in musea in stand wordt gehouden. De relatief sterke vertegenwoordiging van bepaalde categorieën zoals kerkelijk kunstbezit, valt daarom te verklaren uit het feit dat deze categorie kunstbezit zich weinig in eigendom van musea bevindt. 194 Daarbij wordt met name bescherming beoogd van belangrijk cultuurbezit waarvan te vrezen valt dat het verloren gaat voor Nederland, en zal de lijst dat reflecteren. Meer recent laat de wetgever in de memorie van toelichting op de Erfgoedwet weten dat de ‘lijst rechtszekerheid biedt aan de eigenaren en geen onevenredige belemmering vormt van de internationale kunsthandel’. 195

(93) Het voorgaande wil overigens niet zeggen dat in de loop der jaren geen suggesties zijn gedaan ter verbetering van de lijst. Zo komt de Evaluatiecommissie Wbc tot de conclusie dat het evident is dat ‘door veranderde cultuurhistorische inzichten en of veranderingen in de collectie Nederland op de [lijst] redengevingen voor plaatsing aan actualiteitswaarde inboeten’. Om deze dynamiek, alsook hiervoor besproken, goed te (kunnen) reflecteren, heeft de Evaluatiecommissie Wbc aanbevolen om de lijst van beschermde cultuurgoederen periodiek, bijvoorbeeld eenmaal per tien jaar, te actualiseren. Voor zover de commissie bekend is hieraan verder geen toepassing gegeven.

1.4.8. Financiële aspecten inzake de aanwijzingsregeling

(94) Om zo nodig een (beschermd) cultuurgoed voor Nederland te kunnen behouden, is er het Nationaal Aankoopfonds (tevens genoemd het Museaal Aankoopfonds). Uit dit fonds kunnen in het bijzonder aankopen van nationaal belang door musea worden ondersteund en aankopen van beschermde cultuurgoederen die uit het Nederlands cultuurbezit dreigen te verdwijnen. 196 197 Het Mondriaan fonds fungeert als loket voor verzoeken voor een bijdrage uit dit Nationaal Aankoopfonds. 198

(95) De Erfgoedwet kent niet nadrukkelijk een bepaling inzake het Aankoopfonds of enig ander aspect van financiën, met het oog op een goede werking van de aanwijzingsregeling. 199 Uit de toelichting bij de wet volgt dat het feit dat de financiële middelen in het Aankoopfonds beperkt zijn, dit reden (te meer) is voor een terughoudend aanwijzingsbeleid. De beperkte middelen zijn volgens de wetgever tevens reden om aan de aanwijzingsregeling de stap toe te voegen dat behalve de Staat ook anderen (particulieren) een beschermd cultuurgoed kunnen aankopen. 200

(96) In de Eerste Kamer is in het kader van het voorstel voor de Erfgoedwet gesproken over het belang van voldoende financiële middelen voor een effectieve werking van de aanwijzingsregeling. Aan de minister is destijds de vraag gesteld of hij ‘in het kader van hoofdstuk 7 van het wetsvoorstel, het hoofdstuk dat betrekking heeft op de financiële aspecten, mogelijkheden [ziet] om opnieuw – want het is er wel geweest – een substantieel nationaal fonds voor het cultureel erfgoed in te richten?’ Ter beantwoording van deze vraag verwijst de minister naar het Aankoopfonds. Volgens de minister zitten daarin nog middelen ‘voor het geval dat er iets heel bijzonders zou gebeuren. Vanzelfsprekend hecht ik eraan dat het museaal Aankoopfonds weer wordt aangevuld.’ 201

(97) De huidige stand van zaken met betrekking tot dit Nationaal Aankoopfonds is dat dit fonds opnieuw moe(s)t worden aangevuld na de aankoop door de Staat van twee Rembrandt-portretten van Marten en Oopjen. In 2018 is dit fonds met 25 miljoen euro, aangevuld, in 2019 met 15 miljoen euro en in 2020 nog eens met 10 miljoen euro. 202

(98) Het belang van voldoende financiële middelen is altijd er – en onderkend, maar tot een expliciete juridische grondslag in de Wbc respectievelijk de Erfgoedwet voor een speciaal fonds is het nimmer gekomen. In het kader van het voorstel van de Wbc merkte de Raad van State al op dat een voldoende aankoopfonds ‘beslissend’ is voor de aanwijzingsregeling. ‘De Raad vraagt zich af of de wet niet dient te voorzien in de vorming van een fonds.’ 203 De Wbc-wetgever vond het idee van een fonds destijds ‘minder wenselijk, omdat de uitgaven van een fonds onvoldoende worden betrokken in de onderlinge afweging van de verschillende rijksuitgaven. Ik geef er dan ook de voorkeur aan (…) de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk maximaal vier maanden de gelegenheid heeft via de normale ruimte die de rijksbegroting biedt, middelen te vinden.’ 204 Ondanks het feit dat deze uitleg destijds door leden van de Tweede en Eerste Kamer niet overtuigend werd geacht, is er in de Wbc geen grondslag voor een fonds gekomen. 205 Ook niet na evaluatie van de Wbc eind jaren ’90 van de vorige eeuw, waarin de evaluatiecommissie opnieuw op het belang van voldoende financiële middelen heeft gehamerd: ‘De adviescommissie beschouwt het als een cruciale tekortkoming dat de WBC niet voorziet in een fonds voor aankopen.’ 206 De commissie constateerde destijds dat onder meer ‘met name het gebrek aan financiële middelen voor aankopen in het verleden’ van beschermde cultuurgoederen tekortkomingen in de aanwijzingsregeling zijn. 207 De Erfgoedwet kent, als gezegd, thans evenmin een grondslag voor een (voldoende gevuld) fonds of een andere soort financiële vangnetbepaling.

1.5. Tot slot

(99) In deze juridische analyse heeft de commissie de huidige wet- en regelgeving inzake de bescherming van cultuurgoederen beschreven. Voor een beter begrip van deze Erfgoedwet en bijbehorende (beleids)regels heeft de commissie vervolgens de historische ontwikkeling van de bescherming door de overheid van cultuurgoederen op hoofdlijnen geschetst. Dit historische overzicht toont aan dat de bescherming van cultuurgoederen steeds meer de aandacht van de overheid heeft gekregen, uitmondend in wet- en regelgeving. De vrees voor verdwijning van voor Nederland belangrijk cultuurbezit heeft altijd bestaan. Met de Erfgoedwet is gekozen voor nagenoeg bestendiging van het Wbc-tijdperk, met uitzondering van een paar wijzigingen.


 

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.

Ter illustratie: recente moties in de Tweede Kamer gaan bijvoorbeeld over het muzikaal erfgoed (Kamerstukken II 2018-19, 32820, nrs. 314) en het fotografisch erfgoed (nr. 315).

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet: ‘een op grond van artikel 3.13 aangewezen rijksmonument met cultuurgoederen.’

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 1.1, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 3.7 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 3.12 Erfgoedwet.

Artikel 3.7 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 3.7 lid 4 sub a Erfgoedwet.

Artikel 3.7 lid 4 sub b Erfgoedwet.

Met dien verstande dat ‘niet ieder onderdeel van de verzameling op zich aan de aanwijzingscriteria voor een beschermd cultuurgoed behoeft te voldoen.’ (Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19).

Artikel 3.7 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 3.8 lid 1 Erfgoedwet.

Stcrt. 2016, 45418 (1 september 2016).

Artikel 3 lid 1 Beleidsregel.

Artikel 3 lid 2 Beleidsregel.

Artikel 3 lid 3 Beleidsregel.

Artikel 3.9 lid 1 Erfgoedwet. Enkele nuances zijn bepaald in leden 2 en 3 van artikel 3.9 Erfgoedwet. ‘De band tussen de maker en zijn schepping moet zwaarder wegen dan de band tussen het cultuurgoed en Nederland. De vervaardiger dient daarom niet te worden beperkt in zijn beschikkingsvrijheid.’ (Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 74).

Artikel 3.9 lid 2 Erfgoedwet.
Zie voor enkele nuances leden 4 en 5 van artikel 3.9 Erfgoedwet.

Artikel 3.10 lid 1 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 74.

Artikel 3.10 lid 2 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 75: ‘Opneming in het register voor de beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen is een feitelijke handeling.’

Artikel 3.11 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 3.11 lid 3 Erfgoedwet.

Artikel 3.11 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 9.2 lid 2 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 105.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 41.

Artikel 3.13 Erfgoedwet. De aanwijzing kan tevens worden gewijzigd of ingetrokken of in de omschrijving kunnen feitelijke verbeteringen worden doorgevoerd (artikel 3.15 Erfgoedwet).

Artikel 3.14 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 3.14 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 3.14 lid 3 Erfgoedwet.

Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 5: ‘De aanwijzing van een ensemble heeft geen rechtsgevolg voor de eigenaar; er geldt geen wettelijke bescherming.’

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19. Zie ook p. 59-60.

Artikel 4.4 Erfgoedwet.

Artikel 1, aanhef en onder 2°, van de Wet economische delicten (‘Wed’).

Artikel 4.5 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.5 lid 1, laatste zinsdeel, Erfgoedwet.

Artikel 4.5 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.6 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.11 Erfgoedwet.

Artikel 4.7 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.6 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.7 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.8 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.8 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.8 lid 3 Erfgoedwet.

Artikel 4.9 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.10 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.10 lid 3 Erfgoedwet.

Artikel 4.10 lid 4 Erfgoedwet.

Artikel 4.12 Erfgoedwet.

Artikel 4.10 lid 6 Erfgoedwet.

Artikel 4.10 lid 5 Erfgoedwet.

Artikel 4.13 Erfgoedwet.

Artikel 4.14 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.14 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.14 lid 3 Erfgoedwet.

Artikel 4.14 lid 4 Erfgoedwet.

Artikel 4.15 Erfgoedwet.

Artikel 4.16 lid 1 Erfgoedwet. Zie voor een voorbeeld onder de Wbc: Rb. ’s-Gravenhage 22 november 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AJ0162, over het schilderij ‘Paysage près d’Aix avec la tour César’ van Paul Cézanne. De minister heeft na vaststelling door de rechtbank van de koopprijs zijn bedenkingen ingetrokken omdat de beschikbare middelen ontoereikend waren om de aankoop te verwezenlijken. Het schilderij is vervolgens verkocht, overigens binnen Nederland (zie r.o. 1.8 en 1.9 van de uitspraak).

Artikel 4.16 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.16 lid 3 Erfgoedwet.

Artikel 4.2 Erfgoedwet.

Artikel 4.3 Erfgoedwet.

Artikel 4.3 Erfgoedwet.

Artikel 1, aanhef en onder 2°, van de Wed.

‘Artikel 4.17 over het bekendmaken van voorgenomen besluiten tot vervreemding is blijkens de inhoud alleen van toepassing op het Rijk, provincies en gemeenten. De verplichting tot het vragen van advies aan een onafhankelijke commissie uit artikel 4.18 is wel van toepassing op andere publiekrechtelijke rechtspersonen.’ (Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 8).

Artikel 4.17 lid 1 Erfgoedwet.

Stcrt. 2016, 33595.

Artikel 4.17 lid 2 Erfgoedwet.

Zie artikel 4.18, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 4.17 lid 3 Erfgoedwet.

Artikel 4.17 lid 4, eerste zin, Erfgoedwet.

Artikel 4.17 lid 4, tweede zin, Erfgoedwet.

Artikel 4.18, aanhef, Erfgoedwet.

Artikel 4.18, aanhef en onder a, Erfgoedwet.

Artikel 4.18, aanhef en onder b, Erfgoedwet.

Artikel 4.19 Erfgoedwet.

Artikel 4.20 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.20 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.20 lid 3 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 24.

Artikel 4.21 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 83.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 84.

Artikel 4.22 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 4.22 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 4.22 lid 3 sub b Erfgoedwet.

Artikel 4.22 lid 3 sub a Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 65. Een voorbeeld dat in de wetsgeschiedenis wordt genoemd zijn de ‘portretten van de Ministers van onderwijs in de hal van het ministerie’. (Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 16).

Artikel 4.22 lid 4 Erfgoedwet.

Artikel 3.18 Erfgoedwet.

Artikel 6.2 Erfgoedwet en Kamerstukken II 2014/15, 34109,
nr. 3, p. 93.

Of van een andere bevoegde autoriteit op grond van artikel 2 lid 2 van de Verordening EG 116/2009.

Artikel 4.23 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 2 lid 1 van het Besluit verlenen mandaat aan algemeen directeur Douane inzake uitvoer cultuurgoederen.

Artikel 4.23 lid 2 Erfgoedwet.

Artikel 6.3, aanhef, sub a en sub b, Erfgoedwet. Het gaat om schendingen die na 1 juli 2009 hebben plaatsgevonden (artikel 6.8 Erfgoedwet).

Artikelen 6.4 t/m 6.6 Erfgoedwet.

Artikel 6.7 Erfgoedwet.

‘Cultuurgoed: zaak die door elke verdragsstaat om godsdienstige of wereldlijke redenen is aangewezen als belangrijk voor de oudheidkunde, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de kunst of de wetenschap en derhalve van wezenlijk belang is voor zijn cultureel erfgoed en die behoort tot de in artikel 1 van het Unesco-verdrag 1970 opgesomde categorieën.’

Artikel 6.10 Erfgoedwet.

Artikelen 6.11 t/m 6.14 Erfgoedwet.

Artikel 6.15 Erfgoedwet.

Deze definitie is gebaseerd op het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict.

Artikel 2.6 lid 5 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 5.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 42.

V.E.L. de Stuers, ‘Holland op zijn smalst’, De Gids 1873, Jaargang 37.

Zie in brede zin: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed, Staatsuitgeverij: Den Haag 1975, te raadplegen via www.dbnl.org.

T. Pronk, ‘Wet tot behoud van cultuurbezit’, Boekmancahier nr. 10, p. 2. In Duparc 1975, op pagina 15 wordt beschreven dat in 1881 en 1883 tot tweemaal toe besluiten van de gemeenteraad van Veere tot vervreemding van de beker van Keizer Maximiliaan van Bourgondië wegens strijd met het algemeen belang zijn vernietigd.

Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 3 en 4.

Stb. 1945, F222.

Stcrt. 1977, 95.

F.J. Duparc 1975, p. 38.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 19 (MvT Wbc) vermeldt zes zilveren kandelaars van de Utrechtse meester Nicolaas Verhaer, een tekening van Rembrandt getiteld Toren Swijght Utrecht, een Tulpenboek met 50 gekleurde tekeningen van tulpen van de hand van Judith Leyster, een bloemstilleven van Vincent van Gogh, en een werk van Rembrandt getiteld Tobias, Anna en het bokje.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 23.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 23.

T. Pronk, ‘Wet tot behoud van cultuurbezit’, Boekmancahier nr. 10, p. 2.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 7.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 4 en 6 en Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 3

Aan de komst van dit wetsvoorstel is een lange voorbereidingstijd vooraf gegaan, onder meer met een Nota kunst en beleid (28 juli 1976, Kamerstukken II 1975/76, 13981, nrs. 1-2). Gelet op de beperkte relevantie hiervan voor dit advies, wordt een toelichting hierop verder buiten beschouwing gelaten.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, 3, p. 8.

Artikel 4.10 Erfgoedwet.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, 3, p. 5 en 6.

Overigens is een (kleine) aanwijzing tegen deze stellingname dat voor het geval dat een publiekrechtelijke rechtspersoon een cultuurgoed uit haar bezit wenst te vervreemden ondanks het negatieve advies van de ingeschakelde deskundigencommissie daartoe, de minister zelf noemt de mogelijkheid te hebben dit cultuurgoed dan aan te wijzen als beschermd, zodat het voor Nederland blijft behouden (zie ook paragraaf 1.5.4 van deze bijlage).

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 22.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 23.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 33. Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 82: ‘Cultuurgoederen of verzamelingen in het bezit van overheden zijn traditioneel niet aangewezen als beschermde voorwerpen of verzamelingen op grond van de Wbc.’

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nrs. 3-4, p. 10. Zie ook het antwoord op Kamervragen II 2016/17, 879, beantwoording op 23 december 2016, waarin de minister schrijft dat onder de Wbc ‘[d]e aanwijzingen (…) beperkt [zijn] gebleven tot particulier bezit of bezit van kerkgenootschappen (…).’

Kamerstukken I 1983/84, 16749, nr. 78a, p. 1-2.

Kamervragen II 2018/19, 3420, beantwoording op 11 juli 2019, p. 2.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 22.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 33.

Artikel 3.12 Erfgoedwet.

Artikel 3.7 lid 1 Erfgoedwet.

Artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 1:2 Awb.

Zie voor een voorbeeld op grond van de oude Wbc, ARRvS 30 juni 1992, nr. R01907321, AB 1994, 90 (over drie objecten van het Kerkgenootschap de Nederlands Israelitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, te weten een Machzor, een Heilige Ark met podium en de Rintel Menora).

Vgl. artikelen 2, 3 en 3d Wbc.

Stb. 2011, 330. De ambtshalve bevoegdheid tot aanwijzing van onroerende zaken als rijksmonument is neergelegd in artikel 3.1 Erfgoedwet.

Vgl. artikel 1:3 lid 3 Awb. Zie ook ABRvS 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3040, r.o. 5.2: ‘Uit de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis volgt dat artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 [oud recht, toev. commissie] zo moet worden uitgelegd dat de minister uitsluitend ambtshalve onroerende monumenten kan aanwijzen als beschermd monument. Het is niet mogelijk een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. De mededeling van de minister, dat geen mogelijkheid bestaat de kapel alsnog aan te wijzen als beschermd monument, is daarom, gelet ook op het bepaalde in het tweede lid van artikel 1:3 van de Awb, geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.’

Een dergelijk verzoek kwalificeert als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb. Zie voor een voorbeeld waar is verzocht om aanwijzing van een collectie, bestaande uit tekeningen en schilderijen die volgens de eigenaresse aan Vincent van Gogh zijn toe te schrijven, welk verzoek is afgewezen en waarover vervolgens bestuursrechtelijk is geprocedeerd, ABRvS 10 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AJ3289.

Een voorbeeld waar om een dergelijke intrekking werd verzocht en hierop afwijzend is beslist en waartegen de (nieuwe) eigenaar bestuursrechtelijke rechtsmiddelen heeft aangewend, is te vinden in ARRvS 20 november 1992, nr. R01910679, AB 1993, 368 (over het schilderij ‘Groot bouquet in houten kuip’ van Jan Brueghel).

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 55.

Deze plicht volgt uit artikel 5 Grondwet.
Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 69.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 43.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 32.

Stcrt. 2016, 45418.

Kamervragen II 2018/19, 1681,
beantwoording op 21 februari 2019, p. 1.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 32.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 7.
Zie soortgelijk Kamerstukken I 1982/83, 16749, nr. 104a, p. 2.

Zie o.m. Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 30-31, 46-47, 51, 54,
Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 7 en 8.

Artikel 3.1 Erfgoedwet: ‘Onze Minister kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als rijksmonument.’

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 19.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9.

Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 3 en p. 12.

Zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 9 (Wbc):
‘Een andere factor is de zeldzaamheid: een voorwerp dat uniek is in zijn soort zal eerder in aanmerking komen voor de lijst dan een voorwerp dat weliswaar op zich zelf belangrijk is, maar niet behoort tot een soort waarvan er vele andere in ons land zijn.’

Artikel 2 lid 3 Wbc.

Artikel 2 lid 3 Wbc. Het hierna weergegeven citaat is ook letterlijk terug te lezen in Kamerstukken II 2000/01, 27812, nr. 3, p. 8 (MvT wijziging Wbc n.a.v. wetsevaluatie).

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 73.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.

Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 4. Zie soortgelijk Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 32: ‘In op een later moment terughalen naar Nederland van cultuurgoederen die rechtmatig zijn uitgevoerd, is niet voorzien.’

Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 4.

Artikel 3.9 lid 1 sub b Erfgoedwet.

Kamerstukken I 2015/16, 34109, C, p. 4.

Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 1-2.

Zie ook Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 19.

Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 2.

Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 2.

Kamerstukken II 1982/83, 16749, nr. 9, p. 1-2.

Stb. 1985, 262.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 42.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 42.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.

Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 4.

Kamerstukken II 2000/01, 27812, nr. 3, p. 9.
Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 4.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3, p. 10.

Kamerstukken II 1982/83, 16749, nr. 9, p. 2.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, nr. 3-4, p. 8.

Kamerstukken II 1981/82, 16749, nr. 6, p. 2.

Zie hiervoor het rapport van de Evaluatiecommissie. Vgl. verder Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20 (inzake de evaluatie van de Wbc) en Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 31-32 (Erfgoedwet).

Rapport Evaluatiecommissie p. 28 en Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 31-32.

Rapport Evaluatiecommissie p. 28 en Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 31-32.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 7, p. 31-32.

Een voorbeeld is de aankoop van het schilderij ‘De burgemeester van Delft’ van Jan Steen door het Rijksmuseum, Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 164.

Een ander fonds betreft het Mondriaanfonds, dat in opdracht van het ministerie ‘hét publieke stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland’ is (mondriaanfonds.nl).

Kamervragen II 2018/19, 174 (beantwoording 5 oktober 2018), zie vraag en antwoord 4.

In het bijzonder hoofdstuk 7 van de Erfgoedwet, inzake ‘Financiële bepalingen’.

Kamerstukken II 2014/15, 34109, nr. 3, p. 19 resp. p. 22.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 20

Kamerstukken II 2018-19, 35000 VIII, nr. 2, p. 18 en p. 100 (begrotingsstaat OCW 2019).

Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 20.

Kamerstukken II 1980/81, 16749, C, p. 20.

Kamerstukken II 1982/83, 16749, nr. 9, p. 4 en Kamerstukken I 1982/83, 16749, nr. 104a, p. 1 en p. 4.

p. 33 van het advies.

Kamerstukken II 1999/00, 26591, nr. 20, p. 3. Zie soortgelijk: Kamerstukken II 2000/01, 27812, nr. 3, p. 7.

Adviesaanvraag Van terughoudend
naar betrokken
Samenstelling commissie Overzicht gesprekspartners Juridische analyse Wet- en regelgeving in de ons omringende landen Literatuur en bronnen